ECLI:NL:CRVB:2007:BB2372

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3786 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • A.A.M. Mollee
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen mededeling nabetaling en beoordeling primair besluit nihilstelling

Appellante was werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA) en had een geschil over de nabetaling van haar bezoldiging na het einde van haar tijdelijke aanstelling per 1 mei 2004.

Het bestuur verklaarde bij brief van 20 juli 2005 het bezwaar gegrond en stelde vast dat appellante recht had op nabetaling, met de kanttekening dat inkomsten in die periode in mindering zouden worden gebracht. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen het onderdeel van deze brief niet-ontvankelijk omdat het geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrof.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde dat de passage in de brief slechts een mededeling en verzoek tot informatie was, geen besluit met rechtsgevolg. Het bestuur stelde vervolgens bij besluit van 8 december 2006 de nabetaling vast op nihil wegens het niet overleggen van inkomstengegevens. Dit besluit is een primair besluit en kan niet worden beoordeeld als intrekking of wijziging van een eerder besluit. De Raad bepaalde dat het bestuur het bezwaarschrift van appellante alsnog moet behandelen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de mededeling en oordeelt dat het besluit tot nihilstelling een primair besluit is dat als bezwaarschrift moet worden behandeld.

Uitspraak

06/3786 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante]
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 mei 2006, 05/3238 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het Bestuur van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding, gevestigd te Arnhem, (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 23 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.P. Koorevaar, advocaat te Zwolle, en M.M.C. van Haren, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA).
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante is vanaf 5 februari 2001 meerdere perioden werkzaam geweest bij het NIBRA, zowel via een uitzendbureau als op basis van een aanstelling in tijdelijke dienst.
Bij besluit van 4 februari 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2004, heeft het bestuur aan appellante meegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling per 1 mei 2004 van rechtswege eindigt.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 10 juni 2005, 04/1603, het besluit van 11 juni 2004 vernietigd met opdracht om een nieuw besluit te nemen. Het bestuur heeft in deze uitspraak berust.
1.2. Bij brief van 20 juli 2005 heeft het bestuur, opnieuw beslissende op appellantes bezwaar, dit bezwaar gegrond verklaard, vastgesteld dat appellante in vaste dienst is gebleven en medegedeeld dat zij recht heeft op nabetaling van haar bezoldiging, vermeerderd met de wettelijke rente, over de periode vanaf 1 mei 2004, “waarbij inkomsten uit arbeid, bedrijf of uitkering die u in die periode heeft genoten in mindering dienen te worden gebracht op die na te betalen bezoldiging.” Het bestuur heeft hieraan het verzoek toegevoegd om met bewijsstukken aan te geven wat de inkomsten in de betreffende periode zijn geweest.
1.3. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft het bestuur aan appellante op eigen verzoek per 15 augustus 2005 ontslag verleend.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante, dat gericht was tegen het hiervoor weergegeven onderdeel van de brief van 20 juli 2005, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet gericht was tegen een besluit in de zin van artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij heeft geoordeeld dat dit onderdeel van genoemde brief enkel een toelichting op de te volgen procedure bij de nabetaling inhoudt en niet gericht is op enig rechtsgevolg.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, oordeelt de Raad als volgt.
3.1. De Raad schaart zich achter het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Ook naar het inzicht van de Raad bevat de hier aan de orde zijnde passage uit de brief van 20 juli 2005 geen besluit in de zin van 1:3 van de Awb. Genoemde passage bevat geen enkele concrete beslissing over - de hoogte van - de door het bestuur te verrichten nabetaling, doch bevat slechts een mededeling over, en een verzoek in verband met, de voorbereiding van een te zijner tijd over de nabetaling te nemen besluit.
3.2. Het bestuur heeft bij besluit van 8 december 2006 de hoogte van de nabetaling vastgesteld op nihil, omdat appellante ondanks herhaald verzoek daartoe geen inkomstengegevens had overgelegd. Dit besluit is bij brief van 15 december 2006 in afschrift aan de Raad toegezonden. Bij brief van 3 mei 2007 heeft appellante aangevoerd dat op het besluit van 8 december 2006 de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb van toepassing zijn. De Raad volgt appellante hierin niet. Nu ten aanzien van de nabetaling niet eerder een besluit door het bestuur is genomen, kan het besluit van 8 december 2006 niet worden aangemerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Awb in het onderhavige hoger beroep kan worden beoordeeld. Er is immers geen sprake van intrekking of wijziging van een eerder genomen besluit. Het besluit van 8 december 2006 betreft derhalve een primair besluit en het bestuur dient de aan hem doorgezonden brief van appellante van 3 mei 2007, waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de op nihilstelling van de nabetaling, alsnog als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
4. Op grond van het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A.A.M. Mollee en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD