ECLI:NL:CRVB:2007:BB2383

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-343 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake terugvordering WAO-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV tot terugvordering van een teveel betaalde Ziektewet-uitkering van €1.451,24. Het UWV had het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en betaling ineens geëist. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de besluiten rechtens onaantastbaar waren.

In hoger beroep heeft appellante duidelijkheid gevraagd over de hoogte van het teruggevorderde bedrag. Het UWV gaf aan dat na het bezwaar een betalingsregeling van €50 per maand was getroffen, waarvan inmiddels €1.054,44 was betaald. Ter zitting overhandigde appellante een besluit van het UWV van 21 april 2005 waarin het UWV akkoord ging met de betalingsregeling via verrekening.

De Raad overwoog dat dit latere besluit impliceert dat het oorspronkelijke besluit niet langer wordt gehandhaafd. Appellante erkende dat het bedrag inmiddels geheel was afgelost en had geen belang meer bij beoordeling van het oorspronkelijke besluit. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en zag geen reden het beroep mede te richten tegen het latere besluit. Tevens werd opgemerkt dat het UWV zich zal inspannen voor nadere opheldering over het invorderingsbedrag.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd en appellante geen belang meer heeft.

Uitspraak

06/343 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante]wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 december 2005, 05/667 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 november 2007

I.PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen en haar vader A.A.F.G. Pronk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.

II.OVERWEGINGEN

In geding is het besluit van het Uwv van 24 februari 2005 waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2004 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv appellante medegedeeld dat de vordering terzake van het van haar teruggevorderde bedrag aan teveel betaalde uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ad € 1.451,24 geheel opeisbaar is en dat zij de vordering ineens moet voldoen. Appellante wordt verzocht de vordering voor 28 oktober 2004 aan het Uwv te betalen. In het besluit op bezwaar is vermeld dat, nu appellante geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om genoemd bedrag voor 28 oktober 2004 te voldoen, zij er rekening mee dient te houden dat de vordering wordt verhoogd met de invorderingskosten en de wettelijke rente, terwijl het Uwv bovendien gerechtigd is beslag te leggen op haar inkomen en/of bezittingen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en daarbij met name overwogen dat de hier relevante besluiten tot beëindiging en terugvordering van ZW-uitkering rechtens onaantastbaar zijn geworden.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij duidelijkheid wenst te verkrijgen over de hoogte van het teruggevorderde bedrag.
In het verweerschrift heeft het Uwv vermeld dat, nadat het besluit op bezwaar was genomen, appellante een betalingsregeling heeft getroffen van € 50,- per maand.
Van betaling ineens was vanaf dat moment geen sprake meer. Inmiddels had zij
€ 1.054,44 betaald.
Ter zitting van de Raad heeft appellante een afschrift overgelegd van een besluit van het Uwv van 21 april 2005, voorzien van een bezwaarclausule. Dit besluit houdt in dat, nadat op 5 april 2005 een inkomsten- en uitgavenformulier van appellante is ontvangen, het Uwv akkoord gaat met het voorstel van appellante om de vordering in maandelijkse termijnen van € 50,- te voldoen door middel van verrekening. Voorts hebben partijen ter zitting verklaard dat het onderhavige bedrag inmiddels in zijn geheel is afgelost.
De Raad overweegt dat het besluit van 21 april 2005 impliceert dat het Uwv het thans in geding zijnde besluit niet langer handhaaft. Appellante heeft dan ook, zoals zij ter zitting heeft erkend, geen belang meer bij een beoordeling van dat besluit door de Raad. De Raad ziet voorts geen aanleiding het beroep mede gericht te achten tegen het besluit van 21 april 2005. Nu appellante ter zitting heeft verklaard dat dit besluit een bevestiging inhoudt van een tussen partijen gemaakte afspraak en nu zij geen grieven tegen dit besluit heeft aangevoerd, gaat de Raad ervan uit dat dit besluit geheel tegemoetkomt aan het beroep.
Ten overvloede merkt de Raad nog op dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat, voorzover nog onduidelijkheid zou bestaan over het bedrag van de invordering, het Uwv zich zal inspannen om de nodige opheldering te verschaffen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 november 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
JL