ECLI:NL:CRVB:2007:BB2449

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-542 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering WAO-uitkering wegens overschrijding termijn

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 15 december 2005 waarin een WAO-uitkering werd geweigerd. Het bezwaar werd op 21 februari 2006 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van deze termijn.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit onjuist aan hem was gericht en dat de brief van 24 januari 2006 als bezwaarschrift moest worden aangemerkt. Tevens stelde hij dat persoonlijke problemen, waaronder ziekenhuisopnamen van hemzelf en zijn vrouw, de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten.

De Raad oordeelde dat het besluit rechtsgeldig aan appellant was bekendgemaakt en dat de bezwaartermijn strikt is. De brief van 24 januari 2006 bevatte geen bezwaren tegen het besluit en kon niet als bezwaarschrift worden aangemerkt. Hoewel persoonlijke problemen bestonden, was niet aannemelijk dat appellant niet tijdig een bezwaarschrift kon indienen of hulp kon inschakelen. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de WAO-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

07/542 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2006, 06/1649 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.M. Dijkstra, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Appellant was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. Dijkstra. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 december 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Dit besluit is naar appellant verzonden.
Namens appellant heeft de heer M.J. Valent, werkzaam bij administratiekantoor Valent V.O.F., bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Het bezwaar is op 21 februari 2006 bij het Uwv binnengekomen.
Bij besluit van 18 april 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard om reden dat het niet, zoals voorgeschreven is in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen zes weken na bekendmaking van het besluit is ingediend.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv het besluit van 15 december 2005 ten onrechte naar hem heeft gestuurd. Het besluit had naar Valent gestuurd moeten worden, omdat hij als gemachtigde optreedt. Bovendien dient de brief van 24 januari 2006 welke Valent op die datum aan het Uwv heeft gezonden, als bezwaarschrift aangemerkt te worden. Ten slotte moet, als wordt uitgegaan van een overschrijding van de bezwaartermijn, deze, wegens persoonlijke problemen (waaronder ziekenhuisopnamen van zowel appellant als zijn vrouw), verschoonbaar geacht worden, aldus appellant.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het voor het Uwv duidelijk had moeten zijn dat Valent de gemachtigde van appellant was en dat daarom het besluit van 15 december 2005 naar hem had moeten worden gestuurd. Valent heeft als boekhouder gegevens vóór 15 december 2005 uit de bedrijfsboekhouding rechtstreeks aan de arbeidsdeskundige gezonden. Die enkele omstandigheid volstaat niet voor de conclusie dat Valent als gemachtigde van appellant optrad. Ook anderszins was voor het Uwv niet kenbaar dat Valent door appellant als zijn vertegenwoordiger was aangewezen. Onder die omstandigheden volstond, anders dan appellant heeft gesteld, dat het besluit van
15 december 2005 is bekendgemaakt door de toezending aan appellant.
Nu vaststaat dat het besluit op de voorgeschreven wijze aan appellant kenbaar is gemaakt, staat ook vast dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De bezwaartermijn is een strikte, wettelijk vastgestelde termijn en overschrijding van die termijn leidt er toe dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Het is de Raad niet gebleken dat in het onderhavige geval daarvan sprake is. Hoewel duidelijk is dat appellant voor en tijdens de bezwaartermijn persoonlijke problemen had, is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest tijdig een (desnoods inleidend) bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2005 in te dienen, dan wel tijdig de hulp van derden in te schakelen.
Ten slotte overweegt de Raad dat eerder bedoelde brief van 24 januari 2006 terecht niet als bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2005 is aangemerkt. Met die brief werden jaarrekeningen en een aangifte inkomstenbelasting naar het Uwv gezonden zonder dat daarin enige aanwijzing is te vinden voor bezwaren tegen het besluit van
15 december 2005.
Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
TM