ECLI:NL:CRVB:2007:BB2599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medisch onderzoek
Appellante, die sinds juni 1998 wegens psychische klachten en een huidafwijking niet meer fulltime werkte, kreeg in 1999 een WAO-uitkering toegekend van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In 2004 werd haar uitkering herzien naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid op basis van onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en verwees naar een rapport van een zenuwarts die een ernstiger psychische aandoening vaststelde. De bezwaarverzekeringsarts deed echter alleen een dossieronderzoek en concludeerde dat de functionele beperkingen redelijk waren vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV.
In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische beperkingen en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan. De Raad oordeelde dat het UWV in strijd met artikel 3:2 Awb Pro onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gezondheidstoestand op het moment van herziening, mede vanwege de afwijkende diagnose van de zenuwarts. Het besluit tot herziening werd vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe beslissing.
De Raad veroordeelde het UWV tevens tot vergoeding van de proceskosten van appellante en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.