ECLI:NL:CRVB:2007:BB2711

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6902 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging WAO-uitkering wegens voldoende belastbaarheid

Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster en viel in 1985 uit wegens diverse klachten waaronder zwangerschapsklachten, psychische klachten en hoofdpijn. Het UWV beëindigde haar WAO-uitkering per 27 april 2004 op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling van de verzekeringsartsen voldoende was, maar vond de arbeidskundige motivering aanvankelijk onvoldoende. Tijdens de procedure werd dit aangevuld, waarna de rechtbank het besluit in stand liet. In hoger beroep richtte appellante zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en de motivering van de arbeidsdeskundige.

De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische beperkingen van appellante niet waren onderschat. De klachten zoals migraine, stress en nekbeperkingen werden erkend, maar de verzekeringsartsen hadden deze meegenomen in hun beoordeling. Appellante overlegde geen nieuwe informatie die aanleiding gaf tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geschil. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak bevestigt het besluit van het UWV en handhaaft de beëindiging van de WAO-uitkering. De Raad benadrukt dat de bezwaren van appellante onvoldoende onderbouwd zijn om het besluit te wijzigen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot beëindiging van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/6902 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2005, 04/6360
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.P.M. van Gerven, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft desgevraagd gereageerd op een nadere vraagstelling en aanvullende rapportages ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiseres was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor 40 uur per week. Op
30 oktober 1985 viel zij uit wegens zwangerschapsklachten, aansluitend oorklachten, huiduitslag, psychische klachten en hoofdpijn. Bij besluit van 5 maart 2004 heeft verweerder in het kader van een vijfdejaarsbeoordeling eiseres’ uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 27 april 2004 beëindigd, aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zijn besluit gegrond op de overweging dat eiseres met de bij haar vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht passende arbeid te verrichten.”
Lopende de procedure bij de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige
C.J.T. Neefjes met zijn rapportage van 13 juli 2005 nader toegelicht waarom de geduide functies passen binnen de vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst.
Ten aanzien van de medische beoordeling was de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante hebben overschat.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4721, heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling overwogen dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd omdat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen tijdens de bezwaarprocedure niet voldoende hebben toegelicht waarom de geduide functies aan de schatting ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank zag evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden worden gelaten omdat het Uwv met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Neefjes tijdens de procedure bij de rechtbank het besluit alsnog heeft voorzien van de ontbrekende toelichting.
Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en het oordeel van de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd heeft waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante. De Raad zal zich dan ook beperken tot dit punt van geschil.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de klachten, waar zij eertijds voor uitgevallen was, onverminderd voortduren. Vooral de migraine, zenuwen en stress beperken appellante ernstig in haar functioneren. Ze heeft al lange tijd last van hartkloppingen die haar heel angstig maken.
Voorts stelt appellante dat de belastbaarheid van haar nek (van de schouders tot de achterzijde van het hoofd) beperkt is. Ze kan niet boven schouderhoogte c.q. bovenhands werken omdat dit tot hoofdpijn leidt. Appellante stelt dat ook een hoge luchtvochtigheid tot hoofdpijn leidt. Appellante stelt dat ze allergisch is voor stof en dat zij ook niet onder druk kan werken. Ze voelt zich niet in staat haar oude werk noch de werkzaamheden behorende bij de door het Uwv geduide functies te verrichten.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken, het vooronderzoek en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes klachten en met deze klachten ook rekening gehouden hebben bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van appellante.
Voorts heeft appellante ook in hoger beroep geen informatie overgelegd die de Raad aanleiding geeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen inzake haar belastbaarheid op de datum in geding 27 april 2004.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) S. Sweep.
MK