ECLI:NL:CRVB:2007:BB2866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4682 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering van een bedrag van €52.345,-- wegens gemaakte kosten van bijstand over de periode van 4 februari 2000 tot en met 14 augustus 2003. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp had de bijstand ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenverplichting omtrent het inkomen van appellante en haar partner.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante verwees onder meer naar het heronderzoeksformulier van 20 juni 2002 en de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie, stellende dat het College had moeten afzien van terugvordering.

De Raad oordeelde dat het College bevoegd was tot terugvordering en dat het beleid van het College om bij schending van de inlichtingenverplichting terug te vorderen niet onredelijk was. Het heronderzoeksformulier kon niet worden gezien als een eenduidig signaal dat directe actie vereiste. Ook de hoofdelijke aansprakelijkheid van de partner leidde niet tot matiging van de terugvordering. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €52.345,-- wegens schending van de inlichtingenverplichting en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

06/4682 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juni 2006, 05/1881 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp (hierna: College)
Datum uitspraak: 21 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak onder reg.nummer 06/4681 WWB, plaatsgevonden op 10 juli 2007. Voor appellante is verschenen mr. Roethof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Bax, werkzaam bij de gemeente Leiderdorp.
Na gevoegde behandeling zijn de zaken weer gesplitst. In beide zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) wegens gemaakte kosten van bijstand een bedrag van € 53.751,24 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 1 februari 2005, zoals nadien gewijzigd bij besluit van 1 februari 2006, heeft het College het tegen het besluit van 31 augustus 2004 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 52.345,-- .
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 februari 2005, zoals nadien gewijzigd, ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, in het bijzonder onder verwijzing naar het heronderzoeksformulier van 20 juni 2002 een beroep gedaan op de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de heden gedane uitspraak onder reg.nummer 06/4681 WWB is in rechte komen vast te staan dat de eerder aan appellante verleende bijstand over de periode van 4 februari 2000 tot en met 14 augustus 2003 terecht en op goede gronden is ingetrokken. Daarmee is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.345,--.
Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende Beleidsregels Terugvordering WWB 2004 voerde het College ten tijde hier van belang het beleid om bij schending van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering over te gaan, tenzij het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,-- of indien sprake is van dringende redenen. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt vast dat het College in het voorliggende geval in overeenstemming met deze beleidsregel heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, van deze beleidsregel had moeten afwijken.
Het onder verwijzing naar het heronderzoeksformulier van 20 juni 2002 gedane beroep op de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie treft evenmin doel. De vragen naar het inkomen van appellante en haar partner [A.] zijn immers niet duidelijk en consistent beantwoord, zodat dit door appellante ingevulde formulier niet kan worden aangemerkt als een eenduidig signaal op grond waarvan het College direct actie had dienen te ondernemen teneinde te voorkomen dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand zou worden verleend. Ook hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [A.], nadat hem met ingang van juni 2003 een verblijfsvergunning is verleend, kan niet tot matiging van de terugvordering leiden nu de terugvordering enkel ziet op de ten behoeve van appellante verleende bijstand gedurende de in geding zijnde periode.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de kosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) S. van Ommen.
JK