ECLI:NL:CRVB:2007:BB3031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken dienstbetrekking en te late arbeidsongeschiktheid
Betrokkene werkte van 2 augustus 1999 tot 2 juni 2000 als beheerster bij een café. Zij werd op 1 augustus 2000 ziek, na het einde van haar dienstverband. Haar echtgenoot vroeg namens haar na haar overlijden in 2002 ziekengeld aan bij het UWV.
Het UWV wees de aanvraag af omdat betrokkene geen werknemer was in de zin van de Ziektewet en ook geen aanspraak kon maken op ziekengeld op grond van artikel 46 ZW Pro, omdat zij niet binnen een maand na het einde van de verzekering arbeidsongeschikt werd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het verweer dat het inlichtingenformulier met de laatste werkdag onjuist was ingevuld. De Centrale Raad van Beroep sloot zich hierbij aan en bevestigde dat geen dienstbetrekking bestond op het moment van ziekte en dat het ziektegeval niet eerder dan 1 augustus 2000 was ingetreden.
De Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van een dienstbetrekking en het niet tijdig arbeidsongeschikt worden.