ECLI:NL:CRVB:2007:BB3031

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5648 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ZWArt. 46 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken dienstbetrekking en te late arbeidsongeschiktheid

Betrokkene werkte van 2 augustus 1999 tot 2 juni 2000 als beheerster bij een café. Zij werd op 1 augustus 2000 ziek, na het einde van haar dienstverband. Haar echtgenoot vroeg namens haar na haar overlijden in 2002 ziekengeld aan bij het UWV.

Het UWV wees de aanvraag af omdat betrokkene geen werknemer was in de zin van de Ziektewet en ook geen aanspraak kon maken op ziekengeld op grond van artikel 46 ZW Pro, omdat zij niet binnen een maand na het einde van de verzekering arbeidsongeschikt werd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp het verweer dat het inlichtingenformulier met de laatste werkdag onjuist was ingevuld. De Centrale Raad van Beroep sloot zich hierbij aan en bevestigde dat geen dienstbetrekking bestond op het moment van ziekte en dat het ziektegeval niet eerder dan 1 augustus 2000 was ingetreden.

De Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van een dienstbetrekking en het niet tijdig arbeidsongeschikt worden.

Uitspraak

05/5648 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erven van [naam betrokkene], vertegenwoordigd door [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2005, 05/1149 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007.
[appellant] is verschenen, bijgestaan door W. Duyts, wonende te Amsterdam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
[naam betrokkene] (hierna: betrokkene) is blijkens de gedingstukken op 2 augustus 1999 als beheerster voor 10 uur per week gaan werken bij [naam Café] te [vestigingsplaats]. Volgens een op 10 februari 2001 ingevuld inlichtingenformulier heeft zij daar laatstelijk op 2 juni 2000 gewerkt.
Bij brief van 24 juli 2003 is namens [appellant] aan het Uwv gevraagd om in aanmerking te worden gebracht voor uitkering van ziekengeld voor zijn op 10 april 2002 overleden echtgenote, die op 1 augustus 2000 ziek was geworden.
Bij besluit van 1 maart 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat geen ziekengeld werd toegekend, omdat betrokkene niet als werknemer in de zin van de Ziektewet (ZW) kon worden beschouwd. Daarbij is verder nog overwogen dat ook geen recht op ziekengeld kon worden ontleend aan artikel 46 van Pro de ZW.
Bij besluit van 6 december 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellants grief dat voormeld inlichtingenformulier, waarop 2 juni 2000 als laatste werkdag van betrokkene is aangegeven, niet door hem zou zijn ingevuld en dat met die informatie geen rekening zou mogen worden gehouden, heeft de rechtbank verworpen.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en ziet dan ook geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van voormeld inlichtingenformulier. Nu 2 juni 2000 als laatste werkdag van betrokkene moet worden aangemerkt, wordt ingevolge artikel 6, tweede lid, van de ZW ten tijde van het onderhavige ziektegeval, 1 augustus 2000, geen dienstbetrekking geacht aanwezig te zijn. De Raad merkt hierbij op dat de gedingstukken geen aanwijzingen bevatten dat het onderhavige ziektegeval eerder dan op 1 augustus 2000 is ingetreden. De Raad baseert dit oordeel op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts De Vink d.d. 3 december 2004, die naar aanleiding van het in geding gebracht journaal van de huisarts heeft gesteld dat deze op 9 juni 2000 slechts een beschrijving heeft gegeven van klachten, waaruit niet kan worden opgemaakt dat betrokkene toen haar werk niet kon verrichten.
Nu betrokkene ook niet binnen een maand na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden, kan aan het bepaalde in artikel 46 van Pro de ZW evenmin aanspraak op ziekengeld worden ontleend.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
JL