ECLI:NL:CRVB:2007:BB3042
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als medewerker groenvoorziening, meldde zich ziek met klachten van depressiviteit en spanningen. Het UWV beëindigde het recht op ziekengeld per 22 februari 2005, omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering en het niet afwachten van informatie van de behandelend psychiater van de RIAGG.
Na een nieuw medisch onderzoek door bezwaarverzekeringsarts Kokenberg, waarbij informatie van de huisarts maar niet van de psychiater werd ontvangen, handhaafde het UWV het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, omdat de informatie van de psychiater niet was afgewacht en geen onafhankelijk psychiater was ingeschakeld. De Centrale Raad oordeelde echter dat de huisarts op de hoogte was van de bevindingen van de psychiater en dat overleg tussen huisarts en psychiater had plaatsgevonden.
De Raad vond dat bezwaarverzekeringsarts Kokenberg terecht geen aanleiding zag langer te wachten op de informatie van de psychiater en dat het tweede psychisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor ongeschiktheid. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk.