ECLI:NL:CRVB:2007:BB3046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende medische objectivering arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAJONG-uitkering, maar het UWV weigerde deze omdat niet kon worden vastgesteld dat zij vanaf haar 17e jaar onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde na onderzoek dat er geen medisch objectiveerbare feiten waren die langdurige arbeidsongeschiktheid onderbouwden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de rapporten van de verzekeringsartsen, waarbij ook werd meegewogen dat appellante van haar 15e tot 22e jaar had gewerkt.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij sinds haar geboorte lymfe-oedeem heeft en psychische problemen die haar functioneren belemmeren. Zij overhandigde diverse medische stukken en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat geen nieuwe medische objectivering was geleverd en dat het inschakelen van een deskundige niet zinvol was, omdat alleen op basis van bestaande gegevens een oordeel kan worden gevormd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was onvoldoende bewijs om te concluderen dat appellante aan de voorwaarden voor een WAJONG-uitkering voldeed, met name de onafgebroken 52 weken arbeidsongeschiktheid vanaf haar 17e jaar.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAJONG-uitkering wegens onvoldoende medische objectivering van arbeidsongeschiktheid.