ECLI:NL:CRVB:2007:BB3226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, viel in juni 1997 uit wegens rug- en psychische klachten. Na een vijfdejaarsherbeoordeling in november 2003 stelde het UWV op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Hierdoor werd haar WAO-uitkering per 1 maart 2004 ingetrokken.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. In hoger beroep betoogde zij dat onvoldoende rekening was gehouden met een brief van haar psychotherapeut waarin werd gesteld dat zij geheel niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens, waaronder het rapport van de verzekeringsarts Faas en de door appellante overgelegde stukken, geen aanleiding gaven om te concluderen dat haar beperkingen te laag waren ingeschat. De Raad hechtte aan het oordeel van Faas, die de psychische beperkingen voldoende onderbouwd achtte en het standpunt van appellante verwierp.
Gelet op de mogelijkheden om functies als productiemedewerker en telefonist te verrichten, en het verlies aan verdiencapaciteit van 11,18%, achtte het UWV de intrekking van de WAO-uitkering terecht. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.