ECLI:NL:CRVB:2007:BB3274

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4402 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • J.W. Schuttel
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante, geboren in 1959, was cateringmedewerker en viel in oktober 2001 uit wegens overbelasting van haar linker schouder en arm, met daarnaast psychische klachten. Na een wachttijd werd haar vanaf oktober 2002 een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling bleek haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15%, waarop het UWV besloot haar uitkering per 27 juli 2004 in te trekken.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde de intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen een nader besluit van het UWV ongegrond, omdat de medische conclusies zorgvuldig waren en appellante haar stellingen onvoldoende onderbouwde.

In hoger beroep verzocht appellante om inschakeling van een deskundige, maar de Raad vond dit niet nodig. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de geschiktheid van appellante voor de functies waarop de schatting was gebaseerd voldoende was aangetoond. Het door appellante ingebrachte reïntegratieverslag werd niet doorslaggevend geacht. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en de intrekking van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering van appellante.

Uitspraak

05/4402 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 juni 2005, 04-2124 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2007, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitvoerige uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Appellante, geboren [in] 1959, is catering medewerker geweest en is op 17 oktober 2001 uitgevallen wegens overbelasting van haar linker schouder en arm. Op de achtergrond speelden tevens psychische klachten een rol. Na afloop van de wachttijd is haar met ingang van 16 oktober 2002 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Aangezien appellante als gevolg van een herbeoordeling minder dan 15 % arbeidsongeschikt wordt geacht, is haar bij besluit van 10 juni 2004 meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 27 juli 2004 wordt ingetrokken. Bij besluit op bezwaar van 8 november 2004 heeft het Uwv deze intrekking ongewijzigd gehandhaafd.
Nadien heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2005 de datum van intrekking van haar uitkering nader vastgesteld op
2 augustus 2004.
De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het nadere besluit van 11 mei 2005 in het onderhavige geding betrokken.
Vervolgens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, onder bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 8 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 11 mei 2005 ongegrond. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om aan te nemen dat de conclusies van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante haar stelling dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij niet geschikt is voor alle aan de schatting ten grondslag gelegde functies, niet in voldoende mate onderbouwd aan de hand van (nadere) medische stukken.
Appellante heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld, voorzover het beroep tegen het besluit van 11 mei 2005 ongegrond is verklaard. Daarbij heeft zij de Raad verzocht een deskundige in te schakelen.
De Raad kan zich geheel verenigen met de aangevallen uitspraak en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is van oordeel dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Voor het inschakelen van een deskundige heeft de Raad geen aanleiding gevonden. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de aan schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft aangetoond. Aan het door appellante ingebrachte reïntegratieverslag van 6 juni 2004 kan naar het oordeel van de Raad niet die waarde worden toegekend die appellante daaraan toegekend wil zien.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 september 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
JL