ECLI:NL:CRVB:2007:BB3332

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4413 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 1:2 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken machtiging en belanghebbendheid

In deze zaak heeft appellant namens betrokkene hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 15 oktober 2004. Na terugtrekking van de oorspronkelijke gemachtigde en wisseling van advocaat, is gebleken dat de huidige gemachtigde niet meer op het opgegeven adres bereikbaar is en niet langer als advocaat optreedt, maar wel als gemachtigde de zaak behartigt.

De Raad heeft appellant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging te overleggen conform artikel 8:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke termijn ongebruikt is verstreken. Een tweede termijn van vier weken is gesteld bij aangetekende brief, met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook deze termijn is voorbijgegaan zonder dat de machtiging is ingediend.

De Raad oordeelt dat appellant geacht moet worden voor zichzelf hoger beroep te hebben ingesteld, maar dat appellant geen belanghebbende is bij het besluit, zoals vereist op grond van artikel 1:2 Awb Pro en artikel 18 Beroepswet Pro. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.

De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 28 augustus 2007, waarbij tevens is gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van het afschrift van de uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van machtiging en belanghebbendheid.

Uitspraak

Uitspraak
05/4413 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), beweerdelijk namens [Betrokkene],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2005, 04/3525 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene]
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens [Betrokkene], hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 5 augustus 2005 heeft mr. De Jonge de Raad meegedeeld dat zij zich als gemachtigde terugtrekt.
Mr. De Jonge heeft bij schrijven van 16 augustus 2005 de Raad bericht dat mr. P. Wessing, advocaat te Groesbeek, de zaak verder als opvolgend gemachtigde zal behandelen.
Bij aanvullend beroepschrift van 20 september 2005 heeft mr. Wessing zich als gemachtigde gesteld.
Op 15 mei 2007 wordt een brief, door de Raad verzonden op 10 mei 2007 aan
mr. Wessing, retour ontvangen met een aangebrachte mededeling “niet meer aanwezig op dit adres”.
Uit nader telefonische informatie bij mr. Wessing blijkt dat hij niet langer als advocaat zal optreden, maar nog wel als gemachtigde van [Betrokkene] de beroepszaak zal behartigen.
De aangevallen uitspraak heeft betrekking op een besluit van 15 oktober 2004 van het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
Als gevolg van de onder rubriek I genoemde telefonische informatie is bij brief van 23 mei 2007 aan appellant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 8:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in te zenden. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 25 juni 2007 is appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld de verlangde machtiging in te zenden. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijk-verklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de machtiging niet binnen de in de brief van 25 juni 2007 gestelde termijn is overlegd.
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat appellant moet worden geacht voor zichzelf hoger beroep te hebben ingesteld.
Ingevolge artikel 18 van Pro de Beroepswet kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende hoger beroep instellen. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Van enig belang van appellant bij het besluit van 15 oktober 2004 is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Derhalve kan appellant niet als belanghebbende worden aangemerkt, zodat de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk acht. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C. Tersteeg.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen en (andere) belanghebbenden binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
GdJ