ECLI:NL:CRVB:2007:BB3353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Appellant, werkzaam als tentenbouwer, viel op 5 januari 2001 uit wegens lichamelijke klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken weigerde het UWV aanvankelijk een WAO-uitkering toe te kennen op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
Appellant ging op 26 augustus 2002 werken in de kippenindustrie, maar viel op 10 december 2002 opnieuw uit. Het UWV weigerde wederom een WAO-uitkering toe te kennen, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. In hoger beroep stelde appellant dat zijn belastbaarheid te optimistisch was vastgesteld en dat de wettelijke grondslag was komen te vervallen doordat het UWV later alsnog een WAO-uitkering toe kende vanaf 4 januari 2002.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke feitelijke grondslag is gebaseerd en vernietigt het. Het UWV moet een nieuw besluit nemen, waarbij ook aandacht moet zijn voor de vraag van schadevergoeding. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen met aandacht voor schadevergoeding.