ECLI:NL:CRVB:2007:BB3353

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4470 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • H. Bolt
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende feitelijke grondslag

Appellant, werkzaam als tentenbouwer, viel op 5 januari 2001 uit wegens lichamelijke klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken weigerde het UWV aanvankelijk een WAO-uitkering toe te kennen op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.

Appellant ging op 26 augustus 2002 werken in de kippenindustrie, maar viel op 10 december 2002 opnieuw uit. Het UWV weigerde wederom een WAO-uitkering toe te kennen, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. In hoger beroep stelde appellant dat zijn belastbaarheid te optimistisch was vastgesteld en dat de wettelijke grondslag was komen te vervallen doordat het UWV later alsnog een WAO-uitkering toe kende vanaf 4 januari 2002.

De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke feitelijke grondslag is gebaseerd en vernietigt het. Het UWV moet een nieuw besluit nemen, waarbij ook aandacht moet zijn voor de vraag van schadevergoeding. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen met aandacht voor schadevergoeding.

Uitspraak

05/4470 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juni 2005, 04/1749 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld en zijn aanvullende stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007, waar namens appellant is verschenen mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant was werkzaam als tentenbouwer toen hij op 5 januari 2001 als gevolg van diverse lichamelijke klachten is uitgevallen. Per einde wachttijd heeft geneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarna het Uwv appellant heeft geweigerd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 4 januari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Appellant is vervolgens per 26 augustus 2002 gaan werken als medewerker kippenindustrie en is op 10 december 2002 opnieuw uitgevallen wegens pijnklachten in het hele lichaam. Er heeft als gevolg van deze uitval wederom geneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 18 december 2003 heeft het Uwv andermaal geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen, onder overweging dat hij, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op
9 december 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 29 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 18 december 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand gelaten.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd, dat zijn belastbaarheid te optimistisch is vastgesteld, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat de geduide functies daardoor niet passend zijn. Voorts is bij aanvullend beroepschrift van 9 juli 2007 aangevoerd dat de wettelijke grondslag aan het bestreden besluit is komen te ontvallen, nu het Uwv bij besluit van 29 november 2006 alsnog aan appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 4 januari 2002 een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat deze uitkering vanaf laatstgenoemde datum tot heden aan appellant is uitbetaald. Het Uwv heeft vervolgens erkend dat het bestreden besluit als gevolg van de onjuiste wettelijke grondslag niet meer stand kan houden en heeft dat besluit ingetrokken. Namens appellant is het hoger beroep gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit, nu dat, gelet op het later genomen besluit van 29 november 2006, achteraf gezien ten onrechte is genomen als een besluit omtrent het recht van appellant op WAO-uitkering na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken na 10 december 2002, niet op een deugdelijke feitelijke grondslag is gebaseerd, zodat het – wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb – voor vernietiging in aanmerking komt. De intrekking van dit besluit ter zitting staat aan dit oordeel niet in de weg, nu appellant tevens heeft verzocht om het Uwv op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.
De Raad kan zich evenwel thans nog niet uitspreken over mogelijk door appellant geleden schade ten gevolge van het bestreden besluit. Hij overweegt daartoe dat ter zitting door het Uwv is opgemerkt dat vooralsnog niet het standpunt wordt verlaten dat het verrichte verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek voldoende grondslag kan bieden voor een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Anderzijds is ter zitting niet ontkend dat de bij besluit van 29 november 2006 toegekende uitkering tot op dat moment aan appellant is uitbetaald. Gelet op deze omstandigheden, is het voorshands niet duidelijk wat de inhoud zal zijn van het nader te nemen besluit van het Uwv op het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2003. Het Uwv zal bij het nemen van het nieuwe besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep ad
€ 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W. Altenaar.
JL