Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 maart 2004 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“2.8 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de meldingsplicht bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV en of het eiser te verwijten is dat het lichaam niet aan deze verplichting heeft voldaan.
2.9 Gelet op de bovengenoemde wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank dat bij gebreke van een tijdige mededeling van betalingsonmacht het niet aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het is, gelet op het bepaalde in het vierde lid van artikel 16d, van de CSV, aan eiser als bestuurder om in de eerste plaats aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Indien hij daarin slaagt, wordt hij ingevolge het bepaalde in het vierde lid toegelaten tot weerlegging van het vermoeden dat de niet betaling aan hem te wijten is.
2.10 De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat [naam vennootschap] niet aan de meldingsplicht heeft voldaan. Daartoe stelt de rechtbank vast dat, ondanks de uitdrukkelijke verwijzing door verweerder naar de meldingsplicht in zijn brief van 7 augustus 2001, er geen (afzonderlijke) melding van betalingsonmacht heeft plaatsgevonden door [naam vennootschap] De door eiser genoemde reden dat hij in augustus 2001 op vakantie was dient naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico te blijven. Evenmin is de werkverdeling tussen eiser en de heer Evers, mede gelet op de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders, naar het oordeel van de rechtbank een reden om aan te nemen dat het niet melden van de betalingsonmacht hem niet te verwijten was. Het ligt immers op de weg van eiser, als bestuurder, om zich op de hoogte te houden van de (financiële) ontwikkelingen binnen bet bedrijf.
2.11 Ter zitting heeft eiser er op gewezen dat in de brief van 7 augustus 2001 wordt vermeld dat in het geval melding wordt gedaan van betalingsonmacht, de getroffen betalingsregeling als vervallen wordt beschouwd en verweerder over zal gaan tot verdere invorderingsmaatregelen. Gelet op deze informatie heeft eiser gesteld dat een melding van betalingsonmacht niet voor de hand lag, omdat de voortgang van het bedrijf dan zeker in gevaar zou komen.
2.12 Alhoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat dit een reden kan zijn geweest om de betalingsonmacht niet te melden, los van de vraag of dit als een geldige reden beschouwd zou kunnen worden, heeft eiser tevens ter zitting meegedeeld de brief van 7 augustus 2001 pas eerst in 2004 te hebben gezien. De betreffende overweging in de brief van 7 augustus 2001 kan naar het oordeel van de rechtbank voor eiser dan ook geen reden zijn geweest om af te zien van een melding in de zin van artikel 16d, tweede lid, van de CSV.
2.13 Ten slotte wijst de rechtbank er op dat zij, gelet op de wettelijke bepaling van artikel 16d van de CSV en de daarbij behorende strikte jurisprudentie van de CRvB, niet tot een ander oordeel kan komen dan tot het bovenstaande.
2.14 Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder eiser op goede gronden niet heeft toegelaten tot de mogelijkheid om het wettelijk vermoeden van artikel 16d, vierde lid, van de CSV te weerleggen. De rechtbank komt derhalve aan een verdere inhoudelijke behandeling niet toe.”