ECLI:NL:CRVB:2007:BB3493

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5901 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • H. Bolt
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging WAO-uitkeringsbesluit wegens onvoldoende functiemotivering

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit van 7 juni 2005 vernietigde. Dit besluit verhoogde de WAO-uitkering van betrokkene op grond van een schatting van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op ten minste drie functies.

De rechtbank had geoordeeld dat de arbeidsdeskundige onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene geschikt zou zijn voor de functies steksteker en medewerker champignonkwekerij, met name vanwege het ontbreken van overleg met de verzekeringsarts over bepaalde belastende werkzaamheden. Hierdoor bleef slechts sprake van twee geschikte functies, wat onvoldoende was volgens het Schattingsbesluit.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de arbeidsdeskundige voldoende heeft aangetoond dat betrokkene geschikt is voor de genoemde functies en dat overleg met de verzekeringsarts in dit geval niet noodzakelijk was. Tevens acht de Raad de functie medewerker tuinbouw terecht aan de schatting ten grondslag gelegd. Hierdoor is voldaan aan het vereiste van ten minste drie functies.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, waardoor het besluit van 7 juni 2005 in stand blijft. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 augustus 2007.

Uitkomst: Het besluit van 7 juni 2005 tot toekenning van een WAO-uitkering wordt in stand gehouden.

Uitspraak

05/5901 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2005, 05/1426 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 31 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een vraag van de Raad beantwoord.
Namens betrokkene heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007, waar appellant - met bericht van verhindering - en betrokkene niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 14 september 2004 heeft appellant de uitkering van betrokkene op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke voordien was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van
23 augustus 2004 onveranderd voortgezet.
Bij besluit van 7 juni 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard. De aan betrokkene toegekende WAO-uitkering wordt met ingang van
23 augustus 2004 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de medische grondslag van het besluit van 7 juni 2005 voor onjuist moet worden gehouden.
De arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank wel onjuist geacht, omdat de arbeidsdeskundige H. Garnier in zijn rapport van 6 januari 2005
een ontoereikende motivering heeft gegeven op de aspecten ‘boven schouderhoogte actief zijn’ en ‘kortcyclisch buigen’ in de tot de SBC-code 111010 (medewerker tuinbouw) behorende functies steksteker (functienummer 0124-0715-001) en medewerker champignonkwekerij (functienummer 0121-2022-003). De rechtbank was van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige Garnier gegeven toelichting niet nader medisch gemotiveerd was, nu hierover geen overleg met de (bezwaar)verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat naar haar oordeel slechts twee functies resteerden waarvoor betrokkene in medisch opzicht geschikt moet worden geacht. De rechtbank heeft het besluit van 7 juni 2005 vernietigd, omdat niet is voldaan aan het in het Schattingsbesluit neergelegde vereiste dat de schatting op ten minste drie functies moet berusten en om die reden het besluit - in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet op een deugdelijke motivering berust.
Tegen deze overwegingen van de rechtbank richt zich het hoger beroep.
Appellant heeft aangevoerd dat uit de specifieke functiegegevens afgezet tegen de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid, blijkt dat betrokkene met inachtneming van zijn beperkingen wel in staat moet worden geacht om de functies van steksteker en medewerker champignonkwekerij uit te oefenen. De arbeidsdeskundige heeft overleg met de verzekeringsarts niet noodzakelijk geacht, omdat de belasting in de voormelde functies op de betreffende aspecten de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid niet overschrijdt.
Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat door de arbeidsdeskundige Garnier in voldoende mate is aangetoond dat betrokkene geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies steksteker en medewerker champignonkwekerij en dat de belasting in die functies de door de verzekeringsarts aangegeven belastbaarheid niet overschrijdt. De Raad kan zich verenigen met het standpunt van appellant dat overleg van de arbeidsdeskundige met de (bezwaar)verzekeringsarts in dit specifieke geval niet noodzakelijk was. De Raad stelt vast dat de functie medewerker tuinbouw terecht aan de schatting ten grondslag is gelegd. De Raad heeft overigens evenmin grond om er van uit te gaan dat de overige aan betrokkene voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.
Dit betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat het besluit van 7 juni 2005 in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit niet in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het besluit van 7 juni 2005 is vernietigd;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 7 juni 2005 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) W. Altenaar.