ECLI:NL:CRVB:2007:BB3874

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3452 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid verblijfplaats

Appellante vroeg op 23 januari 2006 bijstand aan bij het Centrum voor Werk en Inkomen en gaf als woonadres een kamer op in ’s-Gravenhage. Na een huisbezoek op 9 maart 2006 concludeerde het College van burgemeester en wethouders dat zij niet op dat adres woonde, omdat er geen persoonlijke bezittingen of tekenen van bewoning werden aangetroffen. Het bezwaar van appellante tegen de afwijzing werd ongegrond verklaard door het College.

De voorzieningenrechter bevestigde deze conclusie en wees erop dat appellante onvoldoende bewijs leverde van haar feitelijke verblijfplaats. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe feiten of argumenten aangedragen die tot een ander oordeel konden leiden.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de voorzieningenrechter en bevestigt het oordeel dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld zonder duidelijke verblijfplaats. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over de verblijfplaats.

Uitspraak

06/3452 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juni 2006, 06/3805 en 06/4440 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 4 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 juli 2007, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft zich op 23 januari 2006 gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor het doen van een aanvraag om bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft zij als woonadres [adres 1] opgegeven.
Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage op 9 maart 2006 een huisbezoek afgelegd op het door appellante opgegeven woonadres. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 9 maart 2006.
Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen.
Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 maart 2006 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante niet woonachtig is op het door haar opgegeven adres. Omdat appellante haar feitelijke verblijfplaats niet bekend heeft gemaakt, heeft zij niet alle voor de verlening van bijstand van belang zijnde informatie verstrekt en kan haar recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De voorzieningenrechter heeft de bevindingen van het huisbezoek van 9 maart 2006 toereikend geacht voor de conclusie van het College dat appellante geen hoofdverblijf heeft op het door haar opgegeven adres. De voorzieningenrechter heeft daarbij met name bepalend geacht dat in de kamer die appellante stelt te huren, geen andere administratieve bescheiden van haar zijn aangetroffen dan een CWI map. Wel was er een stapel post van een derde persoon aanwezig. Voorts is er geen kleding in de door appellante opgegeven kledingmaat aangetroffen en bleek appellante niet op de hoogte van het feit dat zich onder het bed niet aan haar toebehorende kleding en schoenen bevonden. Ook de overige zich in de kamer bevindende goederen bleken niet van appellante te zijn.
De Raad verenigt zich met de overwegingen van de voorzieningenrechter en maakt die tot de zijne. Het ontbreken van enig teken van bewoning van de kamer door appellante klemt temeer in het licht van haar stelling dat zij al vanaf 1 december 2005 in deze kamer woonachtig is.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met haar stellingen in eerste aanleg geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan waartoe de voorzieningenrechter is gekomen. Uitgaande van het feit dat appellante aan het College onvoldoende duidelijkheid heeft verstrekt over haar feitelijke verblijfplaats op de datum in geding, heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en H.J. de Mooij en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 september 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
GG