ECLI:NL:CRVB:2007:BB4012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vervroegde ingangsdatum WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid vanaf 1984
Appellant heeft een WAO-uitkering aangevraagd met ingang van 19 januari 1999, maar verzocht later om vervroeging naar 1984 wegens vermeende arbeidsongeschiktheid sinds dat jaar. Het UWV wees dit verzoek af, omdat uit medisch onderzoek bleek dat appellant niet gedurende de gehele periode buiten staat was om een aanvraag te doen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij door zijn psychische toestand niet in staat was om zelf of via derden een aanvraag te doen, onder meer omdat hij een bijstandsuitkering verloor door het niet doorgeven van gegevens. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat appellant niet continu psychotisch of ernstig depressief was en niet volledig buiten staat om een aanvraag te doen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat onvoldoende feiten en omstandigheden waren aangevoerd die rechtvaardigen dat appellant de gehele periode niet in staat was tot het doen van een aanvraag. In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Centrale Raad van Beroep vond onvoldoende aanknopingspunten voor zijn stelling.
De Raad overwoog dat een verklaring van het psychiatrisch ziekenhuis dat appellant al jaren arbeidsongeschikt was, niet automatisch betekent dat hij buiten staat was om een aanvraag te doen. Het UWV heeft terecht geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin van de WAO aangenomen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellant wordt niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WAO-uitkering wordt niet vervroegd naar 1984 wegens onvoldoende bewijs dat appellant toen al volledig arbeidsongeschikt was.