ECLI:NL:CRVB:2007:BB4154

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7386 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:54 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen waarin de Raad zich onbevoegd verklaarde het hoger beroep te behandelen. De Raad baseerde deze onbevoegdverklaring op artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet en artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die het hoger beroep tegen bepaalde rechtbankuitspraak uitsluiten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet behandeld zonder dat partijen verschenen. De Raad vond geen feiten of omstandigheden die een uitzondering op het appèlverbod rechtvaardigen. Ook was er geen sprake van een evidente schending van de goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces garanderen.

Op grond van deze overwegingen verklaarde de Raad het verzet ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.A. Hoogeveen, in aanwezigheid van griffier P. Boer, op 5 september 2007.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/7386 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkeloudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 november 2006, 05/1902 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna het Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 7 maart 2007 heeft de Raad zich in het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak onbevoegd verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 augustus 2007 waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 7 maart 2007 berust hierop, dat ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep open staat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Voor een uitzondering op dit beginsel ziet de Raad geen aanleiding.
In hetgeen in verzet is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de uitspraak waartegen verzet is gedaan, voor onjuist te houden.
De Raad is verder niet gebleken van feiten of omstandigheden die een doorbreking van het appèlverbod zouden kunnen rechtvaardigen. De Raad merkt in dit verband op dat niet gebleken is dat sprake is van een evidente schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW