ECLI:NL:CRVB:2007:BB4199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5043 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 3 WAOArt. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit nihilstelling WAO-uitkering wegens onjuiste maatmanwijziging

Appellante ontving sinds 1986 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2004 stelde het UWV haar WAO-uitkering per 22 september 2003 op nihil, gebaseerd op een arbeidskundig advies waarbij de maatgevende arbeid werd gewijzigd van parttime WSW-werk naar parttime schoonmaakwerk in het vrije bedrijf. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat maatmanwijziging afhankelijk is van nieuw verkregen bekwaamheden.

In hoger beroep betwistte appellante de juiste toepassing van artikel 44 van Pro de WAO door het UWV. De Raad oordeelde dat het UWV de maatman ten nadele van appellante heeft gewijzigd zonder haar hierover vooraf te informeren, waardoor de rechtszekerheid werd geschonden. Daarom kon het besluit van 13 mei 2004 met terugwerkende kracht geen stand houden.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en gaf het UWV opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.

Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WAO-uitkering op nihil te stellen wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

05/5043 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2005, 04/2175 (de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.M. Huizer.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft in juni 1985 haar werk als schoonmaakster gedurende 12 ½ uren per week wegens psychische klachten gestaakt. Met ingang van 20 juni 1986 is haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Met ingang van 15 maart 1993 was appellante werkzaam als schoonmaakster in een dienstverband op grond van de Wet op de Sociale Werkvoorziening (WSW). Vanaf 19 februari 1999 is deze volledige betrekking gewijzigd in een part time dienstverband, nadat appellante vanaf april 1998 haar werk voor de helft van de oorspronkelijke werktijd feitelijk had verricht. Op grond van een arbeidskundig advies van 4 juni 1999 is vanwege haar arbeidsinkomsten de WAO-uitkering van appellante vanaf april 1998 betaald als ware zij 45-55% arbeidsongeschikt. Bij deze arbeidskundige advisering is de arbeidsdeskundige er van uitgegaan dat de maatgevende arbeid het full time verrichte schoonmaakwerk in WSW-verband betrof.
Vanaf 29 augustus 2001 heeft appellante haar WSW-werk wegens ziekte volledig gestaakt en kwam haar WAO-uitkering zonder korting tot uitbetaling. Vanaf 22 september 2003 heeft appellante haar werk voor 15 uren per week hervat. Bij besluit van 13 mei 2004 is de betaling van haar WAO-uitkering ingaande 22 september 2003 op nihil gesteld. Hieraan ligt ten grondslag een arbeidskundig advies van 4 mei 2004, waarin, anders dan voorheen, als maatgevende arbeid is aangemerkt de part time schoonmaakwerkzaamheden die appellante tot juni 1985 in het vrije bedrijf heeft verricht.
Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 30 november 2004 waarbij het Uwv ondanks het bezwaar van appellante heeft gehandhaafd zijn besluit van 13 mei 2004.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe het, door appellante gemotiveerd betwiste, standpunt van het Uwv gevolgd, dat maatmanwisseling afhankelijk is van nieuw verkregen bekwaamheden als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WAO.
Ook in hoger beroep heeft appellante op uiteenlopende gronden bestreden dat het Uwv artikel 44 van Pro de WAO in dit geval op juiste wijze heeft toegepast. De kern van het geschil wordt daarbij gevormd door de vraag of het Uwv voor de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO vanaf 22 september 2003 voor de bepaling van het loonverlies terecht een vergelijking heeft gemaakt tussen de feitelijke arbeidsinkomsten van appellante en haar geactualiseerde verdiensten als part time schoonmaakster in het vrije bedrijf.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv ten onrechte vanaf 22 september 2003 de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellante op nihil heeft gesteld. Daartoe heeft de Raad overwogen dat het Uwv bij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO zijn standpunt over de maatman ten nadele van appellante heeft gewijzigd zonder dat zij van die standpuntwijziging vóór (het besluit van) 13 mei 2004 op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn. Onder die omstandigheden verzet de rechtszekerheid zich tegen de op die standpuntwijziging gebaseerde toepassing van artikel 44 van Pro de WAO met terugwerkende kracht, zodat reeds op die grond het bestreden besluit geen stand kan houden.
De aangevallen uitspraak komt zodoende voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het inleidende beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, met de opdracht aan het Uwv om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.
Voorts ziet de Raad aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, aan de zijde van appellante wegens de aan haar verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- voor het geding bij de rechtbank en € 322,- voor het geding in hoger beroep. Appellante heeft tijdig gevraagd de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. Reeds thans is duidelijk dat de nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante een herroeping van het besluit van 13 mei 2004 zal inhouden, zodat de Raad tevens ten laste van het Uwv een vergoeding zal vaststellen voor deze kosten, voor rechtsbijstand begroot op € 322,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 november 2004;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-, en de in bezwaar gevallen kosten ad € 322,-, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht, in totaal € 140,-, vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C. Palmboom.
MK