ECLI:NL:CRVB:2007:BB4558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-schatting en bevestiging weigering ziekengeld door UWV
Appellante betwistte de verlaging van haar WAO-uitkering per 18 januari 2004 en de weigering van ziekengeld per 25 februari 2004 door het UWV. De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat alle klachten van appellante in de beoordeling waren betrokken. De arbeidsdeskundige had vijf passende functies geselecteerd die binnen haar belastbaarheid vielen.
De Raad stelde echter vast dat het UWV pas in hoger beroep een voldoende gemotiveerde onderbouwing gaf voor de geschiktheid van deze functies, wat niet voldoet aan de vereisten. Daarom vernietigde de Raad het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering, maar liet de rechtsgevolgen van dit besluit ongewijzigd.
Ten aanzien van de weigering van ziekengeld bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellante op 25 februari 2004 niet meer arbeidsongeschikt was dan op 18 januari 2004. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand; de weigering van ziekengeld wordt bevestigd.