ECLI:NL:CRVB:2007:BB4591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellante, die sinds 1999 arbeidsongeschikt was verklaard en een WAO-uitkering ontving, werd na herbeoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid in de functies van telefonist, laboratoriummedewerker en machinaal metaalbewerker. Haar WAO-uitkering werd ingetrokken en zij ontving een WW-uitkering. Na ziekmelding in september 2004 onderzocht een verzekeringsarts haar opnieuw en concludeerde dat haar belastbaarheid onveranderd was volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2003.
Het UWV besloot daarom op 17 december 2004 dat appellante vanaf 22 december 2004 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij niet ongeschikt was voor haar arbeid. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar ongegrond verklaarde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overwoog dat onder "zijn arbeid" in de Ziektewet wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid. In gevallen waarin een verzekerde geschikt wordt geacht voor WAO-functies maar geen arbeid hervat, worden deze functies als zijn arbeid aangemerkt. Omdat appellante voor alle functies ongeschikt was, zou zij recht hebben op ziekengeld, maar hier was zij geschikt bevonden. De medische informatie ondersteunde het standpunt van de verzekeringsartsen dat er geen toegenomen beperkingen waren. Ook aanvullende informatie van de reumatoloog bood geen aanleiding tot herziening.
De Raad vond geen gronden om het besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt werd geacht voor de WAO-functies.