ECLI:NL:CRVB:2007:BB4591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1043 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies

Appellante, die sinds 1999 arbeidsongeschikt was verklaard en een WAO-uitkering ontving, werd na herbeoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid in de functies van telefonist, laboratoriummedewerker en machinaal metaalbewerker. Haar WAO-uitkering werd ingetrokken en zij ontving een WW-uitkering. Na ziekmelding in september 2004 onderzocht een verzekeringsarts haar opnieuw en concludeerde dat haar belastbaarheid onveranderd was volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2003.

Het UWV besloot daarom op 17 december 2004 dat appellante vanaf 22 december 2004 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij niet ongeschikt was voor haar arbeid. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar ongegrond verklaarde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.

De Raad overwoog dat onder "zijn arbeid" in de Ziektewet wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid. In gevallen waarin een verzekerde geschikt wordt geacht voor WAO-functies maar geen arbeid hervat, worden deze functies als zijn arbeid aangemerkt. Omdat appellante voor alle functies ongeschikt was, zou zij recht hebben op ziekengeld, maar hier was zij geschikt bevonden. De medische informatie ondersteunde het standpunt van de verzekeringsartsen dat er geen toegenomen beperkingen waren. Ook aanvullende informatie van de reumatoloog bood geen aanleiding tot herziening.

De Raad vond geen gronden om het besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt werd geacht voor de WAO-functies.

Uitspraak

06/1043 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 januari 2006, 05/1205 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster, is voor dit werk op 8 november 1999 uitgevallen wegens pijnklachten in haar gehele lichaam. Met ingang van 6 november 2000 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een heronderzoek heeft een verzekeringsarts appellante onderzocht en lichamelijke beperkingen aangenomen die zijn omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2003. Met inachtneming van deze beperkingen is appellante na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor gangbare arbeid waarna haar WAO-uitkering per 17 juni 2004 is ingetrokken. Als gangbare arbeid zijn haar de functies van telefonist, laboratoriummedewerker en machinaal metaalbewerker voorgehouden. Sedertdien heeft appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 28 september 2004 ziek gemeld wegens overgeven bij nekklachten. Op 25 november 2004 is zij terzake van deze ziekmelding onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft, na kennisneming van door hem opgevraagde inlichtingen van de behandelend neuroloog van appellante, geconcludeerd dat appellante onveranderd belastbaar moet worden geacht conform de, bij de eerdere WAO-beoordeling opgestelde, FML van 30 juli 2003.
Bij besluit van 17 december 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 22 december 2004 geen recht (meer) heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat zij per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
In het kader van het door appellante tegen het besluit van 17 december 2004 gemaakte bezwaar is zij op 4 maart 2005 onderzocht door bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders. Deze concludeerde, na aanvullende informatie van de behandelend anesthesioloog van 7 februari 2005 te hebben ontvangen en de reeds in het dossier aanwezige medische informatie van de behandelend sector te hebben bestudeerd, dat de bezwaren geen aanleiding vormen tot herziening van de medische grondslag van het primaire besluit.
Bij besluit van 7 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald dat, in geval de verzekerde in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is.
De Raad is – evenals de rechtbank – van oordeel dat de beschikbare medische informatie geen aanleiding geeft om aan het standpunt, dat op de datum hier in geding (22 december 2004) niet is gebleken van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling, van de (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen. Deze artsen beschikten over voldoende medische informatie om hun standpunt op te kunnen baseren. Ten aanzien van de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de behandelend reumatoloog onderschrijft de Raad – onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 12 mei 2006 – diens oordeel dat deze informatie geen aanknopingspunten biedt voor het aannemen van meer beperkingen, nu de verzekeringsarts met de gestelde beperkingen in de nek, schouders en armen reeds in de FML van 30 juli 2003 rekening heeft gehouden en de informatie betreffende de geconstateerde schildklierafwijking ziet op een periode ver ná de datum in geding.
De conclusie is dan ook dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 22 december 2004 de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies kon vervullen.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2007.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
JL