ECLI:NL:CRVB:2007:BB4777

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4310 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 57 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvorderingsbesluit UWV wegens onvoldoende onderzoek dringende reden

Appellant maakte bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van het UWV over de periode van 26 september 2003 tot 31 maart 2004, waarbij onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen werden teruggevorderd. De rechtbank Breda had het besluit in stand gelaten, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat het UWV verplicht is tot terugvordering tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Dringende redenen kunnen alleen worden aangenomen bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor betrokkene. De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de gezondheidstoestand en sociale omstandigheden van appellant, ondanks medische verklaringen over ernstige ziekte en psychische klachten.

Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts was gebaseerd op dossieronderzoek zonder appellant te onderzoeken en ontbeerde motivering. De Raad achtte nader onderzoek noodzakelijk gezien de impact van de ziekte, chemotherapie en financiële situatie van appellant. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en werd het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar dringende redenen en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

05/4310 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appelllant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juni 2005, 04/2264 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld en een aanvullend stuk ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van 28 september 2004 (hierna: bestreden besluit), inzake de terugvordering van uitkering over de periode van 26 september 2003 t/m 31 maart 2004 krachtens artikel 57 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord.
In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat dringende redenen om van terugvordering af te zien zich hier niet hebben voorgedaan.
Gesteld is dat de uitbetaling van appellants uitkering maanden uitbleef, waardoor hij in geldnood kwam en schulden moest maken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorts is aangevoerd dat appellant door de impact van zijn ziekte niet in staat was om zijn belangen te behartigen, waarbij de verwarrende betaalspecificaties het voor hem ook niet inzichtelijk maakte. Dit viel aldus appellant samen met de chemotherapie met zware bijverschijnselen, complicaties en een noodzakelijke bloedtransfusie. Door appellant is herhaald dat het oordeel van de Uwv enkel is gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van de bezwaarverzekeringsarts die op basis van dossieronderzoek heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van psychische klachten, dan wel verstandelijke beperkingen. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts C.J. Kouters blijkt dat appellant in 2003 een non-hodgkin lymfoom had en chemokuurbehandeling heeft ondergaan waardoor hij depressief was en niet in staat was zijn belangen te behartigen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan, aldus het bepaalde in het vierde lid van artikel 57 van Pro de WAO, het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Niet in geding is dat het Uwv onverschuldigde voorschotten heeft betaald als gevolg van het abusievelijk te hoog vaststellen van het voorschot bedrag. Het Uwv was derhalve verplicht om tot terugvordering van deze onverschuldigd betaalde bedragen over te gaan behoudens de aanwezigheid van dringende redenen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57 van Pro de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn.
De Raad overweegt anders dan de rechtbank, dat voorafgaande aan de beslissing, om geen dringende reden aan te nemen op grond waarvan van gehele of gedeeltelijke terugvordering kan zijn afgezien, onvoldoende is uitgezocht in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van onaanvaardbaarheid van de sociale gevolgen voor appellant.
De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts zonder appellant te onderzoeken en zonder zijn oordeel te voorzien van enige motivering heeft geoordeeld dat er geen sprake was van psychische klachten of verstandelijke beperkingen. Naar het oordeel van de Raad had de informatie van de huisarts aanleiding moeten geven tot nader onderzoek naar de gezondheidstoestand en de sociale omstandigheden van appellant ten tijde van de afgifte van het besluit tot terugvordering. Immers gelet op deze informatie en de in het dossier voorhanden gegevens, kan de Raad niet uitgesloten achten dat de ziekte, alsmede de ondergane chemokuurbehandelingen en de financiële positie van appellant welke samenvielen in een periode waarin het besluit tot terugvordering is afgegeven, een onaanvaardbare psychische lijdensdruk bij appellant hebben teweeggebracht. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting van de zijde van het Uwv is erkend dat de bezwaarverzekeringsarts zich niet had mogen beperken tot dossieronderzoek. Tevens is van de kant van het Uwv aangegeven dat bij de afweging om tot terugvordering over te gaan de schuldpositie van appellant niet geheel duidelijk was. Immers, wel bekend was dat appellant schulden had maar met het feit dat appellant een periode geen inkomen heeft gehad is geen rekening gehouden.
Op grond van het hiervoor overwogene moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een toereikend onderzoek berust, zodat dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.
De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten moet eveneens worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van
€ 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007.
(get.). D.J. van der Vos.
(get.) A. Palmboom.
JL