ECLI:NL:CRVB:2007:BB4891

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2889 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na toekenning nabestaandenuitkering

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een nabestaandenuitkering door de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb wees de aanvraag in eerste instantie af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden omtrent verzorging van een ongehuwd kind.

Na het instellen van hoger beroep heeft de Svb op 8 december 2006 alsnog besloten de maximale nabestaandenuitkering toe te kennen aan appellante met terugwerkende kracht vanaf april 2000. Hierdoor was het geschil feitelijk opgelost.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen belang meer had bij het hoger beroep, aangezien haar grieven door de nieuwe beslissing volledig waren gehonoreerd. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de nabestaandenuitkering inmiddels is toegekend.

Uitspraak

05/2889 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 maart 2005, 04/3712 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 4 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. J.H. Bouwknegt, advocaat te Voorschoten, de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Naar aanleiding hiervan heeft de Svb een besluit ingezonden van 8 december 2006, waarbij aan appellante is medegedeeld dat zij alsnog recht heeft op een maximale uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.
Desgevraagd is hierop namens appellante gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Slovacek.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft de Svb de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering afgewezen. Als motivering is gegeven dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering omdat zij op het tijdstip van het overlijden van haar echtgenoot niet een ongehuwd kind verzorgt jonger dan 18 jaar dat niet tot het huishouden van een ander behoort, of meer dan 45 % arbeidsongeschikt is of geboren is voor 1950.
Bij beslissing op bezwaar van 22 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de beslissing van 9 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Bij de in rubriek I van deze uitspraak genoemde nieuwe beslissing op bezwaar van
8 december 2006 heeft de Svb, onder gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2003, alsnog besloten appellante met ingang van april 2000 een nabestaandenuitkering toe te kennen.
De Raad overweegt als volgt.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 december 2006 is naar het oordeel van de Raad geheel tegemoet gekomen aan de grieven van appellante in hoger beroep. Dientengevolge heeft de Raad het hoger beroep van appellante onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mede gericht geacht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 december 2006.
Voorts volgt uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997 (LJN: ZB6628) dat in een geval waarin volledig tegemoet wordt gekomen aan het beroep tegen een besluit, een belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb. Van een dergelijk verzoek is de Raad in het onderhavige geval niet gebleken.
De Raad stelt vast dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het geschil in hoger beroep, nu de Svb volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Een dergelijk belang kan naar het oordeel van de Raad niet gelegen zijn in wijziging van de motivatie die aan de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 december 2006 ten grondslag ligt, in die zin dat appellante op het tijdstip van het overlijden wel kinderen had die tot haar huishouden behoorden. De Raad is van oordeel dat deze grief van appellante, die is opgeworpen met het oog op een terugvordering in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet, in die procedure kan en had moeten worden aangevoerd. De Raad zal dan ook het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2007.
(get.) H.J. Simon.
(get.) A.C. Palmboom.
GG190907