ECLI:NL:CRVB:2007:BB4915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opleggen maatregel WW wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellante, die wegens psychische klachten uitviel uit haar werk en een WAO-uitkering ontving, werd bij aanzegbrief geïnformeerd dat haar WAO-uitkering per 6 juni 2005 zou worden beëindigd wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe, maar legde een maatregel van 20% gedurende 16 weken op omdat zij voorafgaand aan haar werkloosheid geen sollicitatieactiviteiten had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij tijdig en voldoende was geïnformeerd over haar sollicitatieplicht en dat het UWV terecht een maatregel oplegde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij onvoldoende was gewezen op de sollicitatieplicht en dat zij redelijkerwijs mocht verwachten dat zij als slecht bemiddelbaar zou worden ingedeeld, waardoor haar sollicitatieplicht zou zijn verminderd.
De Raad overwoog dat appellante vanaf ontvangst van de brief van 5 april 2005 voldoende was geïnformeerd over haar sollicitatieplicht, onder meer via een persoonlijk gesprek met de arbeidsdeskundige en de brief zelf. Het niet verrichten van enige sollicitatieactiviteit leidde tot de terecht opgelegde maatregel. Er waren geen omstandigheden die verminderde verwijtbaarheid of het achterwege laten van de maatregel rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd uitgesproken op 19 september 2007.
Uitkomst: De maatregel van 20% korting op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.