ECLI:NL:CRVB:2007:BB4923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op betalingsverplichtingen WW wegens ontbreken nieuwe feiten
Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde bij besluit van 16 september 2004 de opzegtermijn vast op zes weken. Hiertegen maakte werknemer geen bezwaar. Na een uitspraak van de Raad van 27 april 2005, waarin werd geoordeeld dat voor werknemer een langere opzegtermijn geldt, verzocht werknemer het UWV bij brief van 14 oktober 2005 om herziening van de opzegtermijn.
Het UWV wees dit verzoek bij besluit van 20 januari 2006 af, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden, zoals bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Werknemer stelde dat het verzoek als een bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, maar de Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was.
De Raad benadrukte dat het enkele feit dat een latere rechterlijke uitspraak een besluit onjuist verklaart, voor risico blijft van degene die het besluit heeft aanvaard. Omdat werknemer geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, was het UWV bevoegd het verzoek af te wijzen. De Raad bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank Arnhem en wees het beroep van werknemer af.
Uitkomst: Het verzoek van werknemer om terug te komen op het besluit over de opzegtermijn wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.