ECLI:NL:CRVB:2007:BB4924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op betalingsverplichtingen WW zonder nieuwe feiten
Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde bij besluit van 3 maart 2003 de opzegtermijn vast op zes weken. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. Na een uitspraak van de Raad van 27 april 2005, waarin een langere opzegtermijn werd vastgesteld, verzocht werknemer het UWV om herziening van de opzegtermijn. Het UWV wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit afwijzende besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat het verzoek om terug te komen niet als een bezwaarschrift kon worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Werknemer had binnen zes weken bezwaar kunnen maken, mede omdat een bezwaarclausule onder het besluit vermeld stond en hij zich tot zijn vakorganisatie had kunnen wenden.
Voorts oordeelt de Raad dat de uitspraak van 27 april 2005 geen nieuw feit of omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Het enkele feit dat een rechterlijke uitspraak een besluit onjuist verklaart, komt voor risico van de betrokkene die dat besluit heeft berust. Er zijn geen gronden om te concluderen dat het UWV niet redelijk heeft gehandeld. Daarom wordt het bestreden besluit bevestigd en is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek van werknemer om terug te komen op het besluit over de opzegtermijn wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.