ECLI:NL:CRVB:2007:BB4928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op betalingsverplichtingen WW zonder nieuwe feiten
Werknemer had bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever onder de Werkloosheidswet (WW) over te nemen. Het UWV stelde bij besluit van 29 september 2003 de opzegtermijn vast op zes weken. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt. Na een uitspraak van de Raad van 27 april 2005, waarin werd geoordeeld dat een langere opzegtermijn van toepassing was, verzocht werknemer het UWV op 7 december 2005 om herziening van de opzegtermijn.
Het UWV wees dit verzoek bij besluit van 1 juni 2006 af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Werknemer stelde in hoger beroep dat het verzoek als een bezwaarschrift had moeten worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, maar de Raad verwierp dit omdat werknemer tijdig had kunnen bezwaar maken en zich had kunnen laten informeren door zijn vakorganisatie.
De Raad oordeelde dat de uitspraak van 27 april 2005 geen nieuw feit of omstandigheid vormt in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en bevestigde dat het UWV bevoegd was het verzoek af te wijzen. Er waren geen gronden om het bestreden besluit te vernietigen of proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het verzoek van werknemer om terug te komen op het besluit over de opzegtermijn wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.