ECLI:NL:CRVB:2007:BB5123

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4764 WUV-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 17 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad om eerdere besluiten niet te herzien. Dit besluit hield in dat verzoeker geen nieuwe feiten had aangevoerd die rechtvaardigen dat hij als vervolgingsslachtoffer wordt erkend.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoeker onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarbij is meegewogen dat het hoofdberoep op 8 november 2007 zal worden behandeld, waardoor de spoedeisendheid ontbreekt.

De slechte financiële positie, gezondheid en leeftijd van verzoeker rechtvaardigen volgens de voorzieningenrechter geen afwijking van het normale procesverloop. Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen en er worden geen proceskosten toegekend.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep, H.R. Geerling-Brouwer, op 8 oktober 2007.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

07/4764 WUV-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker]) (hierna: verzoeker),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 8 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
20 juli 2007, kenmerk JZ/R60/2007, ten aanzien van verzoeker genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verzoeker heeft de Raad tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerster heeft op 22 augustus 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij na bezwaar genomen besluit van 20 juli 2007 heeft verweerster haar weigering gehandhaafd de eerdere, naar aanleiding van een in juni 2003 door verzoeker gedane aanvraag, genomen besluiten te herzien. In dat verband is overwogen - kort gezegd - dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft ingediend op grond waarvan is komen vast te staan dat verzoeker vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan dan wel heeft verkeerd in met de vervolging vergelijkbare omstandigheden.
2. Verzoeker wenst een voorlopige voorziening vanwege zijn slechte financiële positie, zijn slechte gezondheid, omdat hij al de gemiddelde leeftijd die een man in Indonesië kan bereiken ruimschoots heeft bereikt en omdat hij nog voor zijn overlijden een uitkering wenst te ontvangen.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1. Op grond van het bepaalde in artikel 17 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter indien, voor zover hier van belang, tegen een op grond van de Wet genomen besluit beroep bij de Raad is ingesteld, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2. De voorzieningenrechter acht met hetgeen namens verzoeker is aangevoerd geen sprake van een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het beroep in de hoofdzaak van verzoeker op 8 november 2007 door de Raad zal worden behandeld.
4. Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en voor afwijzing in aanmerking komt.
5. De voorzieningenrechter ziet tot slot geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb, inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op
8 oktober 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.