ECLI:NL:CRVB:2007:BB5257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen WAO-uitkeringsbesluit wegens gebrek aan belang
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO werd vastgesteld. Het oorspronkelijke besluit kende een uitkering toe gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, terwijl een later besluit dit verhoogde naar 65 tot 80%.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit vanwege het latere besluit in feite komt te vervallen, omdat het latere besluit het eerdere intrekt en appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van het eerdere besluit. Er is geen verzoek om schadevergoeding ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Ten aanzien van het latere besluit oordeelt de Raad dat de bezwaren van appellante onvoldoende worden ondersteund door nieuwe medische gegevens en dat het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige de grieven adequaat weerlegt. Het beroep tegen het latere besluit wordt daarom ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in zowel eerste aanleg als hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en het beroep tegen het latere besluit wordt ongegrond verklaard.