ECLI:NL:CRVB:2007:BB5262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-uitkering bij trainingsovereenkomst zonder productieve arbeid
Appellante sloot een trainingsovereenkomst met een B.V. voor een opleiding tot piloot, waarbij zij de opleidingskosten betaalde en een maandelijkse voorziening ontving voor levensonderhoud. Na het faillissement van de B.V. vroeg zij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij niet als werknemer werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen sprake was van productieve arbeid in economische zin en dat de maandelijkse bijdrage niet als loon kon worden beschouwd. Appellante voerde aan dat zij werknemer was, maar de Raad vond geen aanleiding om van het oordeel van de rechtbank af te wijken.
De Raad overwoog dat een overeenkomst met primair onderwijsdoel zonder productieve arbeid geen dienstbetrekking vormt in de zin van de WW. Ook het rechtszekerheidsbeginsel bood geen grond voor toekenning van de uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen werknemer is en wijst het hoger beroep tegen de weigering van de WW-uitkering af.