ECLI:NL:CRVB:2007:BB5526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4258 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, eerste lid, WWBArt. 17, eerste lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant heeft op 19 oktober 2004 een bijstandsuitkering aangevraagd en verklaarde woonachtig te zijn op een bepaald adres. Na onderzoek door de Sociale dienst Amsterdam bleek dat appellant onjuiste of onvolledige informatie had verstrekt over zijn woonadres. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij al sinds 1 januari 2003 op het opgegeven adres stond ingeschreven en dat niemand anders daar woonde, maar dit werd door de Raad verworpen omdat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de inschrijving.

De Raad concludeerde dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenverplichting en dat daardoor niet kon worden vastgesteld of hij voldeed aan de voorwaarden voor bijstand zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

06/4258 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2006, 05/2150 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 2 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.J. Portegies, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Portegies. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 19 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven woonachtig te zijn op het adres [adres].
Naar aanleiding van de aanvraag heeft de Afdeling Controle en Opsporing van de Sociale dienst Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant.
De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 november 2004. De onderzoeksresultaten waren voor het College aanleiding om bij besluit van 5 november 2004 de aanvraag van appellant af te wijzen.
Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige informatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde hier van belang daadwerkelijk woonachtig was op het door hem opgegeven adres en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog van appellant dat onvoldoende is meegewogen dat hij al sinds 1 januari 2003 op het adres [adres] staat ingeschreven en dat er overduidelijk niemand anders op het betreffende adres woonachtig was, faalt. De inschrijving op het adres [adres] doet niets af aan de feitelijke situatie. Evenmin kan het gegeven dat geen ander zijn hoofdverblijf in de woning had de conclusie rechtvaardigen dat appellant daadwerkelijk op het betreffende adres woonachtig was.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellant van 19 oktober 2004 terecht afgewezen.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk- Severijns.
(get.) R.J. van der Veen.
RB