ECLI:NL:CRVB:2007:BB5536

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5062 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15, eerste lid, WWBArt. 35, eerste lid, WWBArt. 4:6, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten bevestigd

Appellant diende op 18 maart 2005 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten, welke door het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen op 13 juni 2005 werd afgewezen. Het College verwees daarbij naar artikel 15, eerste lid, van de WWB en stelde dat de Wet Voorziening Gehandicapten (Wvg) een toereikende voorziening vormde. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit.

Vervolgens werd een aanvraag om financiële tegemoetkoming op grond van de Wvg afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 oktober 2005 diende appellant opnieuw een aanvraag bijzondere bijstand in, die op 10 november 2005 werd afgewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 24 januari 2006 eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond omdat er sprake was van een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Appellant stelde dat de afwijzing van de Wvg-aanvraag een nieuw feit was, maar de Raad oordeelde dat dit niet tot een ander besluit leidde, omdat de verhuis- en inrichtingskosten incidentele noodzakelijke kosten zijn die uit het inkomen moeten worden betaald en appellant deze kosten reeds had voldaan.

De Raad concludeerde dat het College in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

06/5062 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2006, 06/1183 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)
Datum uitspraak: 2 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft G. Berghoef te Nijmegen hoger beroep ingesteld
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 augustus 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 18 maart 2005 diende appellant een aanvraag in om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft het College onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) overwogen dat de Wet Voorziening Gehandicapten (Wvg) kan worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende voorziening, welke wordt geacht voor appellant toereikend en passend te zijn. Voorts heeft het College overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen om van artikel 15 van Pro de WWB af te wijken. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 juli 2005 is de aanvraag van appellant om een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten ingevolgde de Wvg afgewezen. Nadat op 21 september 2005 het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond werd verklaard heeft appellant op 17 oktober 2005 wederom bijzondere bijstand aangevraagd voor de verhuis- en inrichtingskosten. Bij besluit van 10 november 2005 is deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de WWB door het College afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 24 januari 2006 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van een herhaalde aanvraag en dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant gewezen op de afwijzing van zijn aanvraag om een financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten in het kader van de Wvg. Daarbij gaat het op zichzelf om een nieuw gebleken feit, hetgeen door de rechtbank niet is onderkend. Naar het oordeel van de Raad dwong dit nieuwe feit het College echter niet tot een ander besluit, aangezien de kosten van verhuizing en de daarmee samenhangende herinrichting behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het inkomen moeten worden bestreden en appellant de betreffende kosten ten tijde van de aanvraag reeds volledig had voldaan. Er was dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.
Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) R.J. van der Veen.
RB