ECLI:NL:CRVB:2007:BB5553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3378 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WAO-uitkeringszaak

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, waarbij aanvankelijk werd vastgesteld dat zij niet langer arbeidsongeschikt was. Het bezwaar werd gedeeltelijk gegrond verklaard, maar de rechtbank wees het beroep tegen dit besluit af. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de procedure nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarin werd vastgesteld dat appellante met ingang van 3 mei 2006 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt bleef. Hierdoor bestond er geen geschil meer tussen partijen over de kwestie die in hoger beroep aan de orde was.

De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang. Tevens veroordeelde de Raad het UWV op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht tot betaling van de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht aan appellante.

Uitspraak

07/3378 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B. ] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2007, 06/1691 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 12 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.R.T.M. van Ojen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 16 oktober 2005 wordt ingetrokken aangezien zij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht.
Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 2 maart 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de uitkering eerst per 3 mei 2006 wordt ingetrokken.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Nadat namens appellante hoger beroep was ingesteld heeft het Uwv op 24 augustus 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond wordt verklaard en appellante met ingang van 3 mei 2006 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
Mr. Van Ojen heeft de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor de procedures in beroep en in hoger beroep.
De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over de kwestie die appellante in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd. Dit betekent dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van appellante, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
JL