ECLI:NL:CRVB:2007:BB5654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon afgeleid van WAO-dagloon bij samenloop uitkeringen
In deze zaak staat de vaststelling van het WW-dagloon centraal, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) is afgeleid van het WAO-dagloon van appellant, een gedeeltelijk arbeidsongeschikte voormalige draaier/frezer. Appellant betwist de hoogte van het WW-dagloon en stelt dat artikel 14 van Pro de Dagloonregels IWS/WW niet van toepassing is in zijn situatie, omdat volgens hem deze bepaling alleen geldt bij herleving van het WW-recht voorafgaand aan de gehele beëindiging daarvan.
De Raad overweegt dat de regeling juist ook van toepassing is bij samenloop van een WAO-uitkering en een WW-uitkering, en dat het WW-dagloon terecht is afgeleid van het WAO-dagloon. De Raad verwijst naar de bedoeling van de regelgever en eerdere jurisprudentie, waarin is vastgesteld dat het verschil tussen WW- en WAO-dagloon acceptabel is vanwege verschillen in loonelementen.
Daarnaast wijst de Raad op de afname van ploegentoeslag bij appellant, wat het dervingsprincipe niet significant aantast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De vaststelling van het WW-dagloon afgeleid van het WAO-dagloon wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.