Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB6091

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/974 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft in februari 1997 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering als weduwe van haar overleden echtgenoot, die in 1962 overleed. Deze aanvraag werd in 1998 afgewezen omdat het overlijden niet redelijkerwijs aan de vervolging kon worden toegeschreven, mede vanwege medische informatie over hoge bloeddruk en ziekenhuisopnames.

In april 2005 diende appellante een herzieningsverzoek in, dat eveneens werd afgewezen omdat zij geen nieuwe relevante feiten of medische gegevens had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening van het eerdere besluit. De Raad oordeelt dat het verzoek terecht als herzieningsverzoek is aangemerkt en dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster om te herzien slechts terughoudend kan worden getoetst.

Hoewel appellante een verklaring van een medisch archief overlegd heeft, acht de Raad deze onvoldoende waardevol omdat deze niet door een medicus is ondertekend en de inhoud niet afwijkt van eerdere informatie. De Raad concludeert dat er geen grond is voor vernietiging van het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/974 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A. te B. ], Indonesië (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
16 november 2006, kenmerk JZ/T60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante in februari 1997 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [P. ] (hierna: [P. ]), die op 3 april 1962 is overleden.
Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 12 februari 1998. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat [P. ] weliswaar vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, maar dat het overlijden van [P. ] redelijkerwijs niet aan de vervolging kan worden toegeschreven. Verweerster heeft zich daarbij in navolging van haar geneeskundig adviseur gebaseerd op de door appellante ten behoeve van haar aanvraag verstrekte informatie, te weten dat [P. ] sinds ± 1958 leed aan hoge bloeddruk en duizelingen, waarvoor hij in 1961 en 1962 is opgenomen in het “Gunung Maria” ziekenhuis te Tomohon (Noord-Celebes). Gezien het feit dat geen medische informatie beschikbaar was omtrent de klachten en de overlijdensoorzaak heeft de geneeskundig adviseur van verweerster een verband met de vervolging niet aanvaardbaar geacht. Tegen dat besluit heeft appellante geen bezwaar ingediend.
In april 2005 heeft appellante zich opnieuw tot verweerster gewend met een aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [P. ].
Verweerster heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 13 april 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat appellante bij het herzieningsverzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe gegevens of feiten heeft vermeld, zodat geen aanleiding bestaat het besluit van 12 februari 1998 te herzien.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Verweerster heeft de aanvraag van appellant van april 2005 terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van het ten aanzien van haar eerdere aanvraag van februari 1997 genomen afwijzende besluit.
Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe (medische) feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en het besluit in een zodanig nieuw licht plaatst dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden tot herziening over te gaan.
Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Weliswaar heeft appellante een verklaring overgelegd van het “Prof. Dr. R.D. Kandou” ziekenhuis te Manado, maar aan die verklaring kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht wil zien. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de verklaring niet is ondertekend door een medicus doch lijkt te zijn opgesteld door iemand die werkt op de afdeling medisch archief van het ziekenhuis. Uit deze verklaring blijkt dat [P. ] sinds zijn vervolging leed aan maagklachten en is overleden aan onder meer gastritis. Gezien ook de eerder door appellante verschafte andersluidende informatie heeft verweersters geneeskundig adviseur hierin geen aanleiding gezien tot wijziging van het eerder ingenomen standpunt.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
12.09