ECLI:NL:CRVB:2007:BB6092

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-830 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 1a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding na echtscheiding

Appellant voerde beroep aan tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin hij werd uitgesloten van een nabestaandenuitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Betrokkene, de uitkeringsgerechtigde, was ongehuwd en niet als partner geregistreerd ten tijde van haar overlijden. Hoewel appellant en betrokkene na hun echtscheiding in 1986 tot 23 december 2005 samenwoonden, was deze gezamenlijke huishouding beëindigd toen betrokkene een eigen woning betrok.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, van de Wet alleen de weduwnaar recht heeft op een uitkering. Omdat appellant en betrokkene niet meer gehuwd waren en de gezamenlijke huishouding duurzaam was geëindigd, kon appellant niet als weduwnaar worden aangemerkt. Het feit dat zij van plan waren de samenwoning te hervatten, deed hieraan niet af.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de definitie van 'weduwnaar' en het belang van het duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding op het moment van overlijden voor het verkrijgen van een nabestaandenuitkering.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij niet als weduwnaar wordt aangemerkt en geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.

Uitspraak

07/830 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A. te B. ] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 28 december 2006, kenmerk JZ/S60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
[Betrokkene], hierna: betrokkene, is geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië. Zij is door verweerster erkend als vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Op 30 juli 2006 is betrokkene overleden. Ten tijde van haar overlijden was betrokkene ongehuwd en niet als partner geregistreerd. Appellant, met wie betrokkene is gehuwd geweest tot dit huwelijk op 6 februari 1986 door echtscheiding is ontbonden en met wie zij tot 23 december 2005 heeft samengewoond, is door haar bij uiterste wil aangewezen als erfgenaam en executeur testamentair. Bij berekeningsbeslissing van 31 augustus 2006, zoals toegelicht bij nader bericht van 24 augustus 2006, heeft verweerster de aan betrokkene toekomende periodieke uitkering over de jaren 2005 en 2006 definitief vastgesteld en daarbij bepaald dat de uitkering eindigt met ingang van 1 augustus 2006. Verweerster heeft daarbij beslist dat appellant geen recht heeft op een nabestaandenuitkering krachtens de Wet. Een door appellant tegen laatstgenoemd besluit gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant kan zich in beroep als in bezwaar er niet mee verenigen dat hij door verweerster niet wordt gezien als nabestaande van betrokkene. Daartoe heeft hij aangevoerd dat betrokkene en hij ook na de echtscheiding zijn blijven samenwonen tot betrokkene na een ziekteperiode per 23 december 2005 een eigen zelfstandige woning heeft betrokken en voorts dat betrokkene en hij van plan waren de samenwoning te hervatten, maar dat dit door haar overlijden niet kon worden gerealiseerd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet heeft - voor zover van belang - recht op een uitkering ingevolge de Wet de weduwnaar van de vervolgde.
Tussen partijen is niet in geschil dat van een huwelijk tussen appellant en betrokkene sedert 1986 geen sprake meer is.
Ingevolge artikel 1a, tweede lid, van de Wet, worden - voor zover van toepassing - als gehuwd of echtgenoot aangemerkt de personen die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren.
Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat betrokkene en appellant tot 23 december 2005 duurzaam een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, die evenwel is geëindigd doordat betrokkene per 23 december 2005 een eigen, andere woning heeft betrokken en voorts dat aan dit gescheiden leven tijdens het leven van betrokkene niet officieel een einde is gekomen. De omstandigheid dat appellant betrokkene steeds is blijven beschouwen als zijn partner en dat zij van plan waren om de gezamenlijke huishouding weer te herstellen, doet er niet aan af dat ten tijde van het overlijden van betrokkene geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Dit betekent dat verweerster appellant terecht voor toepassing van de Wet niet als weduwnaar heeft aangemerkt.
Het beroep van appellant moet derhalve ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
12.09