ECLI:NL:CRVB:2007:BB6092
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Geen recht op nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding na echtscheiding
Appellant voerde beroep aan tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin hij werd uitgesloten van een nabestaandenuitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Betrokkene, de uitkeringsgerechtigde, was ongehuwd en niet als partner geregistreerd ten tijde van haar overlijden. Hoewel appellant en betrokkene na hun echtscheiding in 1986 tot 23 december 2005 samenwoonden, was deze gezamenlijke huishouding beëindigd toen betrokkene een eigen woning betrok.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, van de Wet alleen de weduwnaar recht heeft op een uitkering. Omdat appellant en betrokkene niet meer gehuwd waren en de gezamenlijke huishouding duurzaam was geëindigd, kon appellant niet als weduwnaar worden aangemerkt. Het feit dat zij van plan waren de samenwoning te hervatten, deed hieraan niet af.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de definitie van 'weduwnaar' en het belang van het duurzaam voeren van een gezamenlijke huishouding op het moment van overlijden voor het verkrijgen van een nabestaandenuitkering.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij niet als weduwnaar wordt aangemerkt en geen recht heeft op een nabestaandenuitkering.