ECLI:NL:CRVB:2007:BB6096
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering wegens ontbreken medisch verband met overlijden vader
Appellant, geboren in 1940 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in maart 2005 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij gezondheidsklachten had gekregen door het omkomen van zijn vader bij de torpedering van de Junyo Maru in 1944.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat er geen ziekten of gebreken bij appellant waren vastgesteld die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet bij de zitting.
De Raad overwoog dat de Raadskamer een ruime beleidsvrijheid heeft om te beoordelen of iemand met een vervolgingsslachtoffer gelijkgesteld kan worden. De medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, waaronder een onderzoek door arts R.A. van Gorkum, concludeerden dat de lichamelijke klachten van appellant (hart- en longklachten) niet aan het overlijden van zijn vader kunnen worden toegeschreven en dat er geen duidelijke psychische klachten waren.
De Raad vond het besluit van de Raadskamer deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van medisch aantoonbaar verband met het overlijden van zijn vader.