ECLI:NL:CRVB:2007:BB6100
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende persoonlijk oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945. Zijn aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat niet was vastgesteld dat hij persoonlijk was getroffen door oorlogsgeweld dat onder de Wet valt.
Appellant verwees naar de moeilijke omstandigheden tijdens de Japanse bezetting en de angstige ervaringen tijdens de Bersiap-periode, waaronder een vlucht naar verschillende locaties. De Raad overwoog dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan velen blootstonden, niet leiden tot erkenning. Het geschil concentreerde zich op de persoonlijke ervaringen tijdens de Bersiap-periode.
Hoewel de door appellant aangevoerde omstandigheden bevestigd werden door historische bronnen en getuigenverklaringen, werd niet vastgesteld dat hij in levensbedreigende situaties verkeerde of persoonlijke gerichte handelingen door opstandelingen had ondergaan. Medisch onderzoek werd niet verricht omdat eerst moet worden vastgesteld dat sprake is van onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 oktober 2007.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.