ECLI:NL:CRVB:2007:BB6100

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3418 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende persoonlijk oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945. Zijn aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat niet was vastgesteld dat hij persoonlijk was getroffen door oorlogsgeweld dat onder de Wet valt.

Appellant verwees naar de moeilijke omstandigheden tijdens de Japanse bezetting en de angstige ervaringen tijdens de Bersiap-periode, waaronder een vlucht naar verschillende locaties. De Raad overwoog dat algemene oorlogsomstandigheden, waaraan velen blootstonden, niet leiden tot erkenning. Het geschil concentreerde zich op de persoonlijke ervaringen tijdens de Bersiap-periode.

Hoewel de door appellant aangevoerde omstandigheden bevestigd werden door historische bronnen en getuigenverklaringen, werd niet vastgesteld dat hij in levensbedreigende situaties verkeerde of persoonlijke gerichte handelingen door opstandelingen had ondergaan. Medisch onderzoek werd niet verricht omdat eerst moet worden vastgesteld dat sprake is van onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

De Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 oktober 2007.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3418 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A. te B.] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 11 mei 2006, kenmerk JZ/Y60/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 30 augustus 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, als zijn raadsvrouwe. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van de Wet. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 november 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft in dit verband gewezen op de ellendige omstandigheden waaronder hij tijdens de Japanse bezetting heeft verkeerd, de armoede, de honger, de angst, het onderwijstekort. Voorts heeft hij met name gewezen op de angstige ervaringen tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, toen hij met vele anderen is gevlucht naar de kerk in Toegoe en van daaruit naar Tandjong Priok en vervolgens naar Pedjambon.
De Raad overweegt als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad kunnen algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meer of mindere mate eenieder heeft bloot gestaan, niet onder de werking van de Wet worden gebracht. De ervaringen van appellant tijdens de Japanse bezetting kan de Raad niet anders zien dan als algemene oorlogsomstandigheden, die hoe ellendig vaak ook voor de betrokkenen, niet kunnen leiden tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.
Het geschil spitst zich derhalve toe op de ervaringen van appellant tijdens de Bersiap-periode en op de gebeurtenissen rond de vlucht uit Toegoe. Hetgeen appellant op dit punt naar voren heeft gebracht, vindt bevestiging in historische bronnen en in bij verweerster bekende ervaringen van lotgenoten. Nochtans heeft verweerster ten aanzien van appellant in deze omstandigheden geen grond voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet willen zien, omdat niet is gebleken dat appellant hierbij in levensbedreigende omstandigheden heeft verkeerd dan wel andere tegen hem persoonlijk gerichte handelingen of maatregelen van de opstandelingen heeft ervaren. Met verweerster is de Raad van oordeel dat de voorhanden gegevens hiervoor geen bevestiging vormen. Ook in de door [getuige] op 20 oktober 2005 ten behoeve van appellant afgegeven getuigenverklaring is hiervan geen bevestiging te vinden.
Namens appellant is naar voren gebracht dat bij medisch onderzoek de heftigheid van deze ervaringen had kunnen worden vastgesteld. Op dit punt overweegt de Raad dat verweerster eerst over gaat tot het verrichten van medisch onderzoek indien is vastgesteld dat sprake is van onder de Wet vallend oorlogsgeweld. Deze werkwijze van verweerster heeft de Raad in vaste jurisprudentie als een juiste wetstoepassing aangemerkt.
Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar 11 oktober 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
12.09