ECLI:NL:CRVB:2007:BB6104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering, die eerder was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, te herzien naar een mate van 35-45% arbeidsongeschiktheid per 19 februari 2004.
De rechtbank Rotterdam had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, maar het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de schatting van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. De rechtbank stelde dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 maart 2005 de motivering alsnog voldoende was, en verklaarde het beroep gegrond, waarbij het besluit werd vernietigd maar de rechtsgronden in stand bleven.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij op de datum van herziening niet in staat was enig werk te verrichten en dat zijn gezondheidstoestand niet was verbeterd. Hij overlegde een huisartsverklaring en aanvullende rapportages. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, en bevestigd door de bezwaararbeidsdeskundige, voldoende waren onderbouwd. De aanvullende stukken brachten geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel zouden leiden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid staat op zichzelf en kan verschillen, ook bij een ongewijzigde medische situatie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45%.