ECLI:NL:CRVB:2007:BB6106

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4121 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAJONG-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35%

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem per 27 februari 2004 niet in aanmerking te brengen voor een WAJONG-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 25-35%, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij door CVS/ME niet in staat is tot arbeid en dat het medisch onderzoek onvoldoende was, waardoor de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onjuist is vastgesteld.

Appellant overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder brieven van artsen, laboratoriumuitslagen en informatie over een borreliabacterie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, waarbij alle relevante informatie was betrokken. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel over de belastbaarheid van appellant te wijzigen.

De Raad wees ook het verzoek van appellant af om een onafhankelijke deskundige te benoemen, omdat de medische component voldoende onderbouwd was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAJONG-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Uitspraak

05/4121 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B. ] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2005, 04/5358 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant per 27 februari 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 25% bedroeg.
Bij besluit van 5 november 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2004 gegrond verklaard om de reden dat het maatmaninkomen van appellant wegens het voltooien van een HBO-opleiding gewijzigd is. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 25-35%.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangegeven dat hij wegens CVS/ME niet in staat is arbeid te verrichten. Hij heeft geprobeerd vrijwilligerswerk te verrichten, maar dat kon hij niet volhouden. Het medisch onderzoek zoals dat verricht is door de verzekeringsarts was veel te summier. Hierdoor is de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet juist vastgesteld. Het Uwv heeft de beperkingen van appellant onderschat. Appellant heeft in hoger beroep tevens enkele stukken ingediend, bestaande uit een brief van huisarts dr. R. Einhorn van 22 maart 2005, brieven van dr. R.C.W. Vermeulen, verbonden aan CFS Research Center Amsterdam van 14 april 2004 en 14 maart 2005, een artikel uit het NRC Handelsblad van 9 augustus 2005, twee brieven van prof. dr. K. de Meirleir, verbonden aan Himmunitas VZW in België van 7 maart 2006 en 11 september 2006, laboratoriumuitslagen van 31 mei 2007, alsmede informatie over de bij appellant aangetroffen Borreliabacterie.
De Raad is - met de rechtbank - van oordeel dat het medische onderzoek naar de beperkingen van appellant juist is verricht. De verzekeringsarts van het Uwv heeft blijkens zijn rapportage van 7 mei 2004 - en anders dan appellant stelt - lichamelijk onderzoek verricht en de in het dossier aanwezige informatie bij zijn oordeel betrokken. Hij heeft een FML opgesteld waarin met de beperkingen van appellant rekening is gehouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft de medische situatie van appellant uitgebreid bekeken, hem gezien en onderzocht en de conclusies van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De Raad heeft geen redenen aan te nemen dat appellant meer of anders beperkt is.
De in hoger beroep ingebrachte stukken maken dat oordeel niet anders. De brief van dr. Vermeulen van 14 april 2004 was al bekend bij het Uwv op het moment dat het primaire besluit genomen werd. Met de inhoud van die brief is door het Uwv rekening gehouden. De brieven van dr. Einhorn en dr. Vermeulen zijn reeds in de beroepsfase bij de rechtbank ingediend. De brieven van prof. dr. Meirleir, de laboratoriumuitslagen en de informatie over de borreliabacterie zijn door de bezwaarverzekeringsarts bestudeerd en door hem is zijn rapportage van 30 augustus 2007 gemotiveerd aangegeven dat de inhoud van deze stukken geen aanleiding geeft om het eerder genomen standpunt ten aanzien van de per 27 februari 2004 bestaande belastbaarheid te wijzigen.
De algemene informatie met betrekking tot CVS/ME uit het krantenartikel leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel, omdat die informatie niet toegespitst is op de situatie van appellant ten tijde hier in geding.
Nu de Raad van oordeel is dat de medische component voldoende onderbouwd is en de Raad geen redenen heeft te twijfelen aan de juistheid van de FML, is er geen aanleiding het verzoek van appellant een onafhankelijke deskundige te benoemen, in te willigen.
Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MR