ECLI:NL:CRVB:2007:BB6109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds maart 2002 wegens surmenage arbeidsongeschikt verklaard voor haar deeltijdse functie als agogisch medewerkster. Uit een verzekeringsgeneeskundig rapport uit 2003 bleek een combinatie van hoge werkdruk, belastende privésituatie en milde sarcoidose, met beperkingen op meerdere terreinen. Zij werd toen ingeschaald op 45-55% arbeidsongeschiktheid en ontving een WAO-uitkering.
Na een eerstejaars herbeoordeling is haar arbeidsongeschiktheid herzien naar 35-45%, gebaseerd op een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen deze herbeoordeling ongegrond. De rechtbank ’s-Gravenhage bevestigde dit besluit in 2005. Appellante stelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd, maar de Raad oordeelde dat de summiere motivering toch voldoende was en onderschreef het medische oordeel.
De Raad achtte het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en concludeerde dat appellante op de datum in geschil geschikt was voor passende functies binnen haar beperkingen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, zonder proceskostenveroordeling. Nieuwe medische stukken van appellante werden niet als relevant erkend omdat ze niet op de juiste datum betrekking hadden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.