ECLI:NL:CRVB:2007:BB6110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5934 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35%

Appellant, die na een auto-ongeluk arbeidsongeschikt raakte, was ingedeeld in een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35% na bezwaar tegen een eerdere indeling van 15-25%. Hij betwistte de medische en arbeidskundige beoordelingen die deze indeling onderbouwen en stelde dat hij vrijwel volledig beperkt is in zijn functioneren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen nieuwe of inhoudelijke argumenten aanvoerde die de vaststellingen van het UWV in twijfel konden trekken. Ook in hoger beroep bracht appellant geen nieuwe gezichtspunten naar voren.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De Raad oordeelde dat er geen gronden waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat een heroverweging van het besluit mogelijk maakt.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 oktober 2007, waarbij appellant niet aanwezig was tijdens de zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WAO-uitkering op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5934 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[A. te B.] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 augustus 2005, 05/59 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 19 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2007. Namens appellant is, zoals was aangekondigd, niemand verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als het Uwv, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiser, geboren op 24 maart 1963, is laatstelijk werkzaam geweest als productcontroleur bij de [naam werkgever] voor 36 uur per week. Eiser is per 25 juni 2003 uitgevallen na een auto-ongeluk. Na einde wachttijd en na niet geslaagde hervatting van werkzaamheden is aan eiser met ingang van 23 juni 2004 een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%, zoals aan eiser is medegedeeld bij primair besluit van 25 juni 2004.
Naar aanleiding van het bezwaar is eiser met een correctie in het maatmanloon bij het nu bestreden besluit ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%. In beroep wordt namens eiser slechts in algemene termen aangevoerd dat eiser zodanige beperkingen in zijn lichamelijke en psychische belastbaarheid ondervindt dat hij niet dan wel in sterk verminderde mate tot het verrichten van loonvormende arbeid in staat te achten is. Duurzaam benutbare mogelijkheden ontbreken en eiser is vrijwel volledig beperkt in zijn persoonlijk en sociaal functioneren. Eiser kan zich niet vinden in de beoordelingen door beide verzekeringsartsen (…).”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat namens appellant zowel in medisch als in arbeidskundig opzicht inhoudelijk geen argumenten zijn aangevoerd die haar hebben doen twijfelen aan de vaststellingen van het Uwv zoals neergelegd in de rapportages van respectievelijk de (bezwaar)verzekeringsartsen Sabel en Heeskens-Reijnen en de (bezwaar)arbeidsdeskundigen Stalman en Van As.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, wederom geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Gunter.
MK