ECLI:NL:CRVB:2007:BB6180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6381 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante stelde in hoger beroep dat haar medische beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij volledig arbeidsongeschikt was. Het UWV had eerder de WAO-uitkering ingetrokken wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het beroep van appellante afgewezen, mede op basis van het advies van psychiater D. Kok, die zich aansloot bij eerdere conclusies van psychiater J.D.J. Tilanus.

Appellante heeft in hoger beroep aanvullende medische gegevens aangevoerd die haar volledige arbeidsongeschiktheid zouden onderbouwen, maar deze gegevens zijn niet ingediend. De Raad concludeert dat op grond van de beschikbare medische rapporten de arbeidsongeschiktheid niet onderschat is en dat er geen aanleiding is om een nieuw medisch deskundigenonderzoek te gelasten.

De Raad weegt mee dat de deskundige Kok ook rekening heeft gehouden met informatie van behandelend neuroloog B.J.M. Franssen. De financiële argumenten van appellante om geen aanvullende medische gegevens te kunnen overleggen, bieden onvoldoende grond om het besluit te herzien.

Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat de WAO-uitkering terecht is ingetrokken per 16 januari 2003.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 16 januari 2003 wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/6381 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2005, 03/1280 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, hoger beroep ingsteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Driessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 28 maart 2003 heeft het Uwv het besluit van 19 november 2002 gehandhaafd, waarbij de eerder aan appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 16 januari 2003 is ingetrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de stelling van appellante dat zij wegens psychische klachten nog altijd arbeidsongeschikt is verworpen. Daarbij is doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van 11 februari 2005 van de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater D. Kok te Utrecht. Deze heeft zich aangesloten bij de conclusies van de door het Uwv geraadpleegde psychiater J.D.J. Tilanus, zoals weergegeven in diens rapport van 11 september 2002. Daarbij is aangegeven dat na 26 augustus 2002, de datum waarop psychiater Tilanus appellante heeft onderzocht, zich geen relevante medische ontwikkelingen bij appellante hebben voorgedaan. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat het advies van de deskundige Kok ook met betrekking tot de in geding zijnde datum, 16 januari 2003, van toepassing moet worden geacht.
In hoger beroep heeft appellante bij beroepschrift van 31 oktober 2005 doen aanvoeren dat haar medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat, ter onderbouwing van de volledige arbeidsongeschiktheid, nadere medische gegevens zijn opgevraagd en zullen worden nagezonden.
De Raad stelt vast dat die gegevens van de zijde van appellante niet zijn ingediend, hoewel door het enkele tijdsverloop van het geding in hoger beroep daarvoor ruimschoots de gelegenheid is geboden.
Op grond van de thans ter beschikking staande gegevens is de Raad van oordeel dat niet valt staande te houden dat de medische beperkingen van appellante ten tijde in geding zijn onderschat. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder acht geslagen op de conclusies in het uitvoerige rapport van de psychiater Tilanus, waarmee de deskundige Kok zich heeft kunnen verenigen. Daartegenover zijn geen gegevens van medische en andere aard ingebracht die daaraan doen twijfelen. De deskundige Kok was bekend met de door de zenuwarts B.J.M. Franssen te St. Oedenrode verstrekte inlichtingen. Hij heeft derhalve daarmee, naar ook aan zijn rapport valt te ontlenen, rekening kunnen houden.
In het hiervoor overwogene ligt reeds besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om alsnog een medisch deskundige te raadplegen als door appellantes gemachtigde ter zitting is verzocht. De enkele omstandigheid dat aan het verkrijgen van inlichtingen van de behandelende medici voor appellante (beperkte) kosten zijn verbonden en dat zij niet in staat is die te betalen, zoals door appellantes gemachtigde is aangevoerd, vormt daarvoor onvoldoende grondslag.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
MH