ECLI:NL:CRVB:2007:BB6188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing inzake kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen vanaf tweede kwartaal 2003
Appellante ontving tot en met het vierde kwartaal 2002 kinderbijslag voor haar in Ghana wonende kinderen. Vanaf het eerste kwartaal 2003 werd de kinderbijslag geweigerd op grond van artikel 7b van de AKW, zoals toegepast via de Wet BEU. Appellante verzocht later alsnog om kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2003, wat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel nieuwe feiten en omstandigheden waren, onder meer omdat kinderbijslag een eigendomsrecht is en dat na het eerste kwartaal 2003 duidelijk werd dat andere buiten Nederland verblijvende kinderen wel kinderbijslag ontvingen. De Raad overwoog dat het verzoek van appellante ook moest worden opgevat als aanvraag vanaf het tweede kwartaal 2003, en dat de rechtbank ten onrechte de gronden van appellante voor dat deel niet inhoudelijk had beoordeeld.
De Raad bevestigde dat voor het eerste kwartaal 2003 het beroep terecht ongegrond was verklaard, maar vernietigde het vonnis voor het deel vanaf het tweede kwartaal 2003 en wees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling. Daarnaast bepaalde de Raad dat de Sociale verzekeringsbank het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden.
Uitkomst: De uitspraak wordt vernietigd voor de aanspraak vanaf het tweede kwartaal 2003 en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.