ECLI:NL:CRVB:2007:BB6370

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5142 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.F. Bandringa
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAJONG-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving sinds 1998 een WAJONG-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% na een val op haar hoofd. Na een herbeoordeling in 2004 heeft het UWV de uitkering ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 25%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank Breda.

In hoger beroep betwist appellante de conclusie dat zij voltijds kan werken, vanwege concentratieproblemen en lage energie. De Raad oordeelt echter dat de medische en arbeidskundige rapporten geen aanleiding geven om de vastgestelde belastbaarheid te herzien. Wel blijkt uit een aanvullend arbeidskundig rapport in hoger beroep dat enkele functies niet geschikt zijn vanwege haar beperkingen, maar er blijven voldoende geschikte functies over.

De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAJONG-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

05/5142 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante]
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juli 2005, 04/2649 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J.A.M. Hanssen, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een brief met bijlagen van 11 juli 2007 toegezonden naar aanleiding van vragen van de president van de Raad van 15 juni 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
Appellante ontving in verband met de gevolgen van een val op haar hoofd sedert 12 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Nadat in het kader van een herbeoordeling na vijf jaar een medisch en arbeidskundig onderzoek was verricht heeft het Uwv de uitkering van appellante bij besluit van 28 mei 2004 ingetrokken met ingang van 28 juli 2004 omdat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 25%. Bij besluit van 2 december 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door het Uwv verrichte medische en arbeidskundige beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, juist geacht en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Appellante kan zich niet met aangevallen uitspraak verenigen en heeft hoger beroep ingesteld, waarbij zij heeft verwezen naar hetgeen zij in de bezwarenprocedure en in eerste aanleg heeft aangevoerd.
In hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de medische beoordeling heeft de Raad geen aanleiding gevonden daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante zich moeilijk kan concentreren, niet in lawaai of een drukke en prikkelrijke omgeving kan werken, niet onder tijdsdruk kan werken en niet op meerdere zaken tegelijk kan letten. De bezwaren van appellante betreffen in hoofdzaak de conclusie van de verzekeringsartsen dat zij voltijds kan werken. Appellante meent dat haar energie door haar voortdurende concentratieproblemen zo laag is dat 16 uur per week werken het maximaal haalbare is.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft bij de Raad geen twijfels doen rijzen aan de juistheid van vastgestelde belastbaarheid op de in geding zijnde datum. Noch uit het in opdracht van het Uwv opgestelde rapport van 4 maart 2004 van de neuropsycholoog L.C.C.F. Vanbrabant noch uit het van de zijde van appellante overgelegde rapport van 25 april 2005 van de psychologen B.L.M. de Graaff en I.M.Verkerk kan worden opgemaakt dat appellante niet voltijds kan werken, zij het dat het moet gaan om werkzaamheden die geen groot beroep doen op haar concentratievermogen. Hieraan doet niet af dat appellante heeft ondervonden dat zij niet voltijds een academische studie kan doen en stage kan lopen. Beide activiteiten vereisen immers veel concentratievermogen. Van de zijde van appellante is voorts geen informatie ingebracht die in een andere richting wijst.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat dit besluit is genomen vóór 1 juli 2005 en dat uiteindelijk eerst in de hoger beroepsfase de volledige arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Immers, pas met het rapport van 28 juni 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet is een nadere motivering gegeven met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies in relatie tot de beperking van appellante dat zij slechts kan werken in een prikkelarme, niet lawaaierige omgeving. Uit deze motivering blijkt dat drie van de geduide functies niet gehandhaafd kunnen worden omdat zij de belastbaarheid van appellante op dit punt overschrijden. Er resteren echter, ook naar het oordeel van de Raad voldoende wel geschikte functies om de schatting op te baseren en de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen op minder dan 25%.
Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten. Het voorgaande brengt met zich mee dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- (€ 37,- + € 103,-) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
TM