ECLI:NL:CRVB:2007:BB6466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid tot arbeid ondanks psychische klachten
Appellant was werkzaam als champignonplukker en viel op 29 november 2004 uit wegens spanningsklachten. Na medisch onderzoek door verzekeringsarts Breider op 25 april 2005 en een vervolgonderzoek op 14 juni 2005, werd vastgesteld dat appellant vanaf 27 juni 2005 weer geschikt was voor arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld per die datum. Appellant maakte bezwaar, maar de bezwaarverzekeringsarts onderschreef het eerdere oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd meegewogen dat de door appellant overgelegde brief van de GGzE geen medische feiten bevatte die tot een ander oordeel leidden.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren, stellende dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hadden verricht, waarbij zowel psychische als lichamelijke aspecten waren onderzocht. De Raad zag geen aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen, mede omdat appellant geen aanvullende medische verklaringen had overgelegd die het oordeel konden ondermijnen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het ziekengeld wordt bevestigd.