ECLI:NL:CRVB:2007:BB6599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking onverschuldigde nabestaandenuitkering na huwelijk appellant
Appellant vroeg in oktober 2002 een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van zijn echtgenote in 1994. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een uitkering toe vanaf 1 oktober 2001. Later werd de uitkering ingetrokken omdat appellant in 1995 opnieuw was gehuwd, waardoor hij geen recht meer had op de uitkering volgens de destijds geldende Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW).
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de voorwaarden en dat de Svb de wettelijke grondslag voor intrekking meerdere keren had gewijzigd. De Raad overwoog dat het huwelijk van appellant in 1995 het recht op de uitkering beëindigde en dat de intrekking op grond van artikel 34 van Pro de ANW terecht was. Appellant had bovendien onjuiste informatie verstrekt en zijn verplichtingen niet nagekomen.
De Raad stelde vast dat de intrekking met terugwerkende kracht niet kennelijk onredelijk is omdat appellant de situatie zelf heeft veroorzaakt. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van appellant wegens het late kenbaar maken van de juiste wettelijke grondslag.
Uitkomst: De intrekking van de onverschuldigde nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd.