ECLI:NL:CRVB:2007:BB6626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verlenging tijdelijke aanstelling wegens onvoldoende functioneren
Appellant was vanaf 1 oktober 2003 tijdelijk aangesteld bij de Sociale Dienst Amsterdam voor een opleiding als medewerker dienstverlening. Na een eerste beoordeling in maart 2004 bleek dat appellant op meerdere onderdelen niet voldeed aan zijn taken. Ondanks inzet was er onvoldoende voortgang, wat tijdens een gesprek in mei 2004 werd besproken met waarschuwing dat het dienstverband mogelijk niet verlengd zou worden.
Een tweede beoordeling in juni 2004 concludeerde dat appellant niet geschikt was voor de functie. Vervolgens besloot het college op 30 augustus 2004 om de tijdelijke aanstelling per 1 oktober 2004 niet te verlengen. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd door het college. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep heeft de Raad overwogen dat de eerdere beoordelingen rechtsgeldig zijn en dat appellant de kritiek niet inhoudelijk heeft weerlegd. Er is voldoende begeleiding en gelegenheid tot verbetering geboden. Het college heeft de bevoegdheid om het dienstverband niet voort te zetten op grond van de geschiktheid, en heeft deze bevoegdheid naar het oordeel van de Raad redelijk gebruikt.
De Raad oordeelt ook dat het college de opzegtermijn van vijf weken in acht heeft genomen, ondanks dat het besluit formeel op 30 augustus 2004 is gedateerd en feitelijk op 2 augustus 2004 is verzonden. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot niet-verlenging van de tijdelijke aanstelling wegens onvoldoende functioneren.