ECLI:NL:CRVB:2007:BB6647

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6614 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende beperkingen

Appellante ging in hoger beroep tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 19 december 2004 in te trekken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen.

De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Appellante voerde aan dat de artsen onvoldoende rekening hadden gehouden met haar medische beperkingen en dat zij niet in staat was om de voorgestelde functies te vervullen, mede omdat ten onrechte was uitgegaan van een opleidingsniveau 2.

De Raad overwoog dat de medische rapportages van de verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen waren en dat er geen aanwijzingen waren voor verdere beperkingen. De brief van de voormalige zenuwarts bood onvoldoende aanknopingspunten. Ook de arbeidskundige toelichting was toereikend om aan te nemen dat de functies medisch geschikt waren en dat appellante over het juiste opleidingsniveau beschikte.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak waarin de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand waren gelaten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/6614 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 oktober 2005, 05/798 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2007, waar appellante met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van 7 maart 2005 (bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 19 oktober 2004, strekkende tot intrekking van de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 19 december 2004 omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
De rechtbank heeft bij de uitgevallen uitspraak geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist moet worden geacht. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank vastgesteld dat dit pas in beroep is voorzien van een deugdelijke arbeidskundige toelichting. De rechtbank heeft het beroep van appellante onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het Claimbeoordeling- en Borgingssysteem, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in stand gelaten.
Namens appellante zijn de eerdere beroepsgronden herhaald. Deze houden -kort samengevat- in dat door de artsen onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen, dat appellante door haar klachten niet in staat is om de geduide functies te vervullen en dat ten onrechte is uitgegaan van opleidingsniveau 2. Ter ondersteuning is verwezen naar de in beroep overgelegde informatie van zenuwarts B.J.M. Franssen.
De Raad overweegt als volgt.
Voor wat betreft de medische grondslag kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, waarbij de Raad aantekent dat informatie uit de behandelende sector is meegewogen en dat appellante geen gegevens heeft overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen verdergaande beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst hadden moeten worden opgenomen. De in beroep ingezonden brief van 10 juni 2005 van de (voormalig) zenuwarts Franssen biedt voor het aannemen daarvan onvoldoende aanknopingspunten. Deze geeft immers te kennen appellante slechts zeer sporadisch te hebben gezien.
De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. Met de door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichting is in beroep alsnog op toereikende wijze toegelicht waarom de functies als voor appellante haalbaar kunnen worden aangemerkt en dat appellante over het juiste opleidingsniveau beschikt.
De aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MK