ECLI:NL:CRVB:2007:BB6746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over toerekening arbeidsinkomsten en terugvordering WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering en verrichtte werkzaamheden in het pannenkoekenhuis van zijn vriendin. Het UWV rekende hem de helft van de winst toe en verlaagde zijn uitkering over 2000 en 2001, gevolgd door een terugvordering van te veel betaalde uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop appellant zich door zijn arbeid (in)direct heeft verrijkt. Hoewel appellant erkende te hebben meegeprofiteerd tijdens samenwoning, betwistte hij de omvang van zijn arbeidsinbreng.
De Raad stelt vast dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor een kleinere arbeidsinzet dan de vriendin en wijst zijn betoog af. Wel vernietigt de Raad de besluiten wegens onvoldoende motivering, met name in strijd met artikel 7:12 Awb Pro. Het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.
De Raad veroordeelt het UWV tevens tot vergoeding van proceskosten aan appellant. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en goed gemotiveerde besluitvorming bij toepassing van artikel 44 WAO Pro en anticumulatiebepalingen.
Uitkomst: De besluiten van het UWV worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen.